ECLI:NL:CRVB:2026:631
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering terugkomen op afwijzing Wajong-uitkering wegens laattijdige aanvraag zonder nieuwe feiten
Appellant diende in 2013 een aanvraag in voor een Wajong-uitkering, die door het UWV in 2014 werd afgewezen wegens een zeer laattijdige aanvraag en gebrek aan medische gegevens over zijn belastbaarheid rond zijn zeventiende en achttiende jaar. Het bezwaar en het beroep tegen deze afwijzing werden ongegrond verklaard, waarna appellant geen hoger beroep instelde.
In 2023 diende appellant een nieuwe aanvraag in, waarbij hij wees op een formele erkenning als slachtoffer van misbruik in de Jeugdzorg en een complexe PTSS. Het UWV weigerde echter terug te komen op het eerdere besluit, omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die een herbeoordeling rechtvaardigden. De rechtbank bevestigde dit standpunt en oordeelde dat de erkenning geen nieuw feit is en dat appellant geen nieuwe medische gegevens over de relevante periode had overgelegd.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de erkenning en zijn structurele ongeschiktheid voor reguliere arbeid wel degelijk nieuwe feiten vormden en dat het bewijsrisico onterecht bij hem werd gelegd. De Raad volgde dit niet en bevestigde dat het UWV terecht het besluit handhaafde. De Raad benadrukte dat het ontbreken van medische informatie over de relevante leeftijdsperiode voor rekening van appellant komt en dat de PTSS niet noodzakelijkerwijs beperkingen in die periode aantoont.
De Raad wees ook het verzoek af om een deskundige te benoemen en concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt, waardoor de weigering om terug te komen op het besluit van 2014 in stand blijft. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om terug te komen op de afwijzing van de Wajong-uitkering wegens laattijdige aanvraag zonder nieuwe feiten.