Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:602

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
25/39 TOZO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 58 lid 5 ParticipatiewetArt. 3 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn en proceskosten in TOZO-zaak

De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de rechtbankuitspraak over de hoogte van de immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en de proceskosten in verband met besluiten over intrekking, beëindiging, terugvordering en brutering van TOZO-bijstand en een boetebesluit.

Het college van burgemeester en wethouders van Arnhem had besluiten genomen over intrekking en terugvordering van bijstand, een boete opgelegd en een brutering toegepast. Na bezwaar werd de boete verlaagd en werden dwangsommen toegekend. Appellant vorderde schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en proceskosten. De rechtbank kende een totale schadevergoeding van € 2.065,- toe en stelde de proceskosten vast op € 437,50.

Appellant voerde aan dat de boete was ingetrokken en dat de schadevergoeding onjuist was vastgesteld, en dat de proceskosten onterecht als samenhangende zaken waren beoordeeld. De Raad oordeelt dat de boetezaak en de andere zaken in hoofdzaak hetzelfde onderwerp betreffen en dat de toegekende schadevergoeding passend is. Ook is de beoordeling van de proceskosten juist omdat de verzoeken gelijktijdig en met nagenoeg identieke werkzaamheden zijn behandeld.

Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd met verbetering van gronden. Appellant krijgt geen hogere schadevergoeding en geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de toegekende schadevergoeding en proceskosten passend zijn en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

25/39 TOZO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 3 december 2024, 22/3757 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college)
Datum uitspraak: 7 mei 2026
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)

SAMENVATTING

Deze uitspraak gaat over de hoogte van de door de rechtbank toegekende immateriële schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn en de hoogte van de toegekende proceskosten. Het hoger beroep van appellant slaagt niet, omdat er geen hogere schadevergoeding verschuldigd is en de rechtbank de proceskosten juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr.drs. A.C.M. Brom, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 februari 2026. Voor appellant is
mr.drs. Brom verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Het college heeft op 17 november 2021 een besluit genomen over de intrekking, beëindiging en terugvordering van bijstand die aan appellant op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers was toegekend. Met een besluit van 3 december 2021 heeft het college aan appellant een boete opgelegd en met een besluit van 7 februari 2022 heeft het college het restant van de netto terugvordering gebruteerd.
1.2.
Na bezwaren van appellant is het college met een besluit van 23 juni 2022 bij de besluiten tot intrekking, beëindiging, terugvordering en brutering gebleven. Het college heeft het bezwaar tegen de boete gegrond verklaard en de boete verlaagd naar € 650,-. Ook heeft het college een vergoeding voor de in bezwaar gemaakte kosten en een dwangsom in verband met niet tijdig beslissen toegekend.
1.3.
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en met drie brieven van 23 januari 2024 in de procedures over de intrekking en terugvordering van bijstand, over de boete en over de brutering verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en om een vergoeding van de proceskosten van die verzoeken.
1.4.
Het college heeft de rechtbank bij e-mailbericht van 17 oktober 2024 laten weten dat met appellant tot overeenstemming is gekomen dat het college de onder 1.1 bedoelde besluiten intrekt, aan appellant de proceskosten en het betaalde griffierecht vergoedt en aan appellant € 174,- betaalt in verband met toegekende dwangsommen.
1.5.
Appellant heeft de rechtbank met een e-mailbericht van 17 oktober 2024 laten weten dat het onderlinge geschil hiermee is beëindigd en dat de rechtbank alleen nog maar een uitspraak hoeft te doen op de verzoeken om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn en vergoeding van de daarbij horende proceskosten.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het college en de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid; hierna: Staat) veroordeeld tot schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Ook zijn de Staat en het college veroordeeld in de proceskosten van appellant. Hiertoe heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen.
In de zaken over de intrekking beëindiging en terugvordering van de bijstand enerzijds en die van de brutering anderzijds is geen sprake van samenhangende zaken, omdat de zaken niet in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. In de zaak van de intrekking, beëindiging en terugvordering ging het er om of sprake was van schending van de inlichtingenverplichting, van inkomsten en of het recht op bijstand was vast te stellen. Bij de brutering ging het erom of het college de loonbelasting en premies kon verrekenen en was erop gewezen dat dit een ‘kan-bepaling’ is.
In de zaak over de beëindiging, intrekking en terugvordering van bijstand is de redelijke termijn van twee jaar overschreden met ruim negen maanden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 1.000.-. De overschrijding moet in zijn geheel worden toegerekend aan de Staat.
In de zaak over de brutering is de redelijke termijn van twee jaar overschreden met acht maanden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 1.000.-. De overschrijding moet in zijn geheel worden toegerekend aan de Staat.
In de zaak over de boete is de redelijke termijn met ruim elf maanden overschreden, wat normaal leidt tot een matiging van de boete met 10%. Hoewel het boetebesluit is ingetrokken, heeft de rechtbank, onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 9 april 2024 [1] , aanleiding gezien om bij de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding bij deze matiging aansluiting te zoeken. Dit leidt in dit geval tot een schadevergoeding van € 65,-. Omdat de redelijke termijn in de bestuurlijke fase met twee maanden is overschreden, komt € 11,82 (2/11e deel) ten laste van het college en € 53,18 (9/11e deel) ten laste van de Staat.
Appellant heeft drie aparte verzoeken om schadevergoeding ingediend. Omdat het om één beroepsprocedure gaat, had appellant één verzoekschrift moeten indienen. De proceskosten worden daarom begroot op € 437,50 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 875,- en wegingsfactor 0,5). Zelfs als wel uit had moeten worden gegaan van drie verzoekschriften, was de rechtbank op dit bedrag uitgekomen, omdat dan sprake is van samenhangende zaken die beschouwd worden als één zaak als bedoeld in artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of het oordeel van de rechtbank over de hoogte van de toegekende schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn en de hoogte van de toegekende proceskosten juist is. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De hoogte van de door de rechtbank vastgestelde schadevergoeding
4.1.
Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank de hoogte van de toegekende schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in de zaak over het boetebesluit onjuist heeft vastgesteld. De uitspraak van de Raad van 9 april 2024 is hier niet van toepassing, omdat de boete in die zaak in de schikking was betrokken, terwijl de boete hier is ingetrokken.
4.2.
Appellant heeft terecht aangevoerd dat de onderhavige zaak verschilt van de zaak waarin de Raad op 9 april 2024 uitspraak heeft gedaan. Nu in de onderhavige zaak de boete is herroepen, kan compensatie voor de overschrijding van de redelijke termijn worden verleend in de vorm van een vergoeding van immateriële schade op dezelfde wijze als in een zaak waarin geen boete aan de orde is. [2] Dit zou in de boetezaak leiden tot een schadevergoeding van € 1.000,-. De Raad ziet niettemin geen grond voor een aanvullende schadevergoeding en overweegt hiertoe het volgende.
4.2.1.
In zaken waarin de redelijke termijn is overschreden, wordt als regel – behoudens bijzondere omstandigheden – verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie.
4.2.2.
In gevallen zoals deze, waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, dient met het oog op de hoogte van de toe te kennen schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, gelet op de aard van de compensatie, te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. De spanning en frustratie die wordt ervaren over het verloop van de zaken waarbij daarvan sprake is, is immers dezelfde.
4.2.3.
De rechtbank heeft in dit verband geoordeeld dat de zaken over de intrekking, beëindiging en terugvordering in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp en dat de zaak over de brutering een afzonderlijk onderwerp betreft. De Raad deelt dat oordeel niet. [3] De brutering, geregeld in artikel 58, vijfde lid, van de Participatiewet (PW), betreft de terugvordering van loonbelasting en premies volksverzekeringen die de gemeente in verband met de bijstandverlening afdraagt en die niet kunnen worden verrekend. Omdat het zowel bij de terugvordering van de (netto) bijstand als bij de terugvordering van de loonbelasting en premies volksverzekering om door de gemeente gemaakte kosten van bijstand gaat, hebben ze, in het kader van de overschrijding van de redelijke termijn, in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp. Dat het bij artikel 58, vijfde lid, van de PW om een ‘kan-bepaling’ gaat, maakt dit niet anders.
4.2.4.
Hieruit volgt dat de rechtbank had kunnen volstaan met een schadevergoeding van in totaal € 2.000,- (€ 1.000,- voor de zaken over de intrekking, beëindiging, terugvordering en brutering en € 1.000,- voor de zaak over de boete). Nu appellant een schadevergoeding van in totaal € 2.065,- is toegekend, is hij daarmee niet tekortgedaan en is er geen grond voor een aanvullende schadevergoeding. De Raad acht in dit verband van belang dat de procedures over de twee niet-punitieve besluiten en het boetebesluit gelijktijdig zijn gevoerd.
4.2.5.
Appellant heeft ter zitting aangevoerd dat in hoger beroep alleen de hoogte van de schadevergoeding in verband met de boetezaak voorligt en niet ook de schadevergoeding in de andere zaken. Dat is op zichzelf juist. Maar dat betekent, anders dan appellant meent, echter niet dat voor de vraag of appellant voor de door hem geleden immateriële schade in de vorm van spanning en frustratie is gecompenseerd, de daarvoor toegekende schadevergoeding in de andere zaken feitelijk niet mag worden betrokken, zoals hiervoor is gedaan. Dat de schadevergoeding voor boetes en niet-punitieve zaken afzonderlijk wordt vastgesteld, zoals ook in deze zaken is gebeurd, is daarvoor geen belemmering. Als de benadering van appellant zou worden gevolgd, dan zou dat betekenen dat appellant als gevolg van het onjuiste oordeel van de rechtbank en de door hem gekozen beperking van de omvang van het geding, per saldo een hoger bedrag aan compensatie zou ontvangen dan waarop op grond van het in de rechtspraak ontwikkelde stelsel maximaal recht bestaat. Dat verdraagt zich niet met de aard van deze rechtspraak en de compensatie en de wijze waarop die, tegen de achtergrond van wat is overwogen onder 4.2.2, moet worden beoordeeld.
De hoogte van de door de rechtbank vastgestelde proceskostenveroordeling
4.3.
Appellant heeft verder aangevoerd dat de rechtbank de drie verzoekschriften bij de proceskostenveroordeling ten onrechte heeft aangemerkt als samenhangende zaken. Ter zitting heeft appellant zijn standpunt verduidelijkt en gesteld dat niet aan de in artikel 3, tweede lid, van het Bpb genoemde voorwaarden is voldaan, omdat de door de gemachtigde in bezwaar verrichte werkzaamheden niet nagenoeg identiek waren. Deze grond slaagt niet.
4.3.1.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat deze verzoeken om schadevergoeding samenhangende zaken zijn als bedoeld in artikel 3 van Pro het Bpb. De drie door mr.drs. Brom ingediende verzoekschriften zijn gelijktijdig door de rechtbank behandeld, terwijl de werkzaamheden van mr.drs. Brom nagenoeg identiek waren, nu daarbij alleen van belang was wanneer de redelijke termijn in de verschillende zaken was aangevangen. De inhoud van de bezwaarschriften speelt daarbij geen rol.
Conclusie en gevolgen
4.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd met verbetering van gronden. Dit betekent dat er geen hogere schadevergoeding verschuldigd is en dat de rechtbank de proceskosten juist heeft vastgesteld.
5. Appellant krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten. Hij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van A.T. Dannenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2026.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) A.T. Dannenberg

Voetnoten

2.Zie bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1337, onder 5.3.1 en de uitspraak van de Raad van 20 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1812, onder 5.5.
3.Vergelijk de uitspraak van 22 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1124.