ECLI:NL:CRVB:2026:565
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na eigen ontslag
Appellant was werkzaam als beveiliger bij een beveiligingsbedrijf en nam op eigen verzoek ontslag per 1 december 2023. Na een korte periode van detachering via een uitzendbureau, die vroegtijdig werd beëindigd, vroeg appellant een WW-uitkering aan. Het UWV weigerde de uitkering omdat appellant verwijtbaar werkloos was geworden door zelf ontslag te nemen zonder dat er een dringende reden was om het dienstverband te beëindigen.
De rechtbank bevestigde dit besluit en oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat voortzetting van het dienstverband niet van hem kon worden gevergd. Appellant had de mogelijkheid om alternatieve werkzaamheden te accepteren en in overleg te treden met zijn werkgever, maar deed dit niet. Ook verscheen hij niet op een gepland overleggesprek.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de alternatieve werkzaamheden onvoldoende waren en dat hij door problemen met vervoer niet naar het overleg kon komen. Het UWV erkende dat sommige alternatieve locaties niet passend waren, maar stelde dat appellant wel andere passende werkzaamheden had kunnen accepteren en dat hij onvoldoende had geprobeerd tot overleg te komen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden omdat hij zonder acute noodzaak ontslag nam en niet aannemelijk maakte dat voortzetting van het dienstverband niet van hem kon worden gevergd. De Raad bevestigde het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank, waardoor de WW-uitkering blijvend en geheel wordt geweigerd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de blijvende en gehele weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door eigen ontslag.