Uitspraak
21.2864 WW
OVERWEGINGEN
WW-uitkering in mindering te brengen.
Centrale Raad van Beroep
Werknemer trad in 2008 in dienst bij appellante en nam in 2019 ontslag vanwege verhuizing naar de vaste wal, waar zijn partner als zelfstandige schoonheidsspecialiste wilde werken. Het Uwv kende aanvankelijk een WW-uitkering toe, maar verklaarde bezwaar van appellante gegrond wegens gebrek aan sollicitatieactiviteiten. De rechtbank oordeelde dat werknemer niet verwijtbaar werkloos was, omdat de verhuizing een aanwijsbaar en reëel belang diende en voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet kon worden verlangd.
In hoger beroep betoogde appellante dat het financiële belang ontbrak omdat de partner haar vaste baan niet dreigde te verliezen en de keuze voor zelfstandigheid onzeker was. De Raad stelde vast dat werknemer weliswaar aan voorwaarden voldeed zoals voortzetting dienstverband en onmogelijkheden tot reizen, maar dat het aanwijsbaar en reëel belang ontbrak. De partner had geen baanverlies te vrezen en koos voor een onzekere zelfstandige positie zonder medische redenen.
De Raad concludeerde dat werknemer verwijtbaar werkloos is geworden en dat het Uwv terecht een maatregel op de WW-uitkering heeft toegepast. De eerdere uitspraak en het besluit van het Uwv werden vernietigd, waarbij de rechtsgevolgen van het besluit in stand bleven. Appellante werd in de proceskosten veroordeeld.
Uitkomst: Werknemer is verwijtbaar werkloos geworden door ontslag zonder aanwijsbaar en reëel belang, waardoor het Uwv een maatregel op de WW-uitkering mocht toepassen.