Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:554

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
25/355 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 5 AAWArt. 6 AAW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden

Appellante heeft sinds 2005 meerdere keren een Wajong-uitkering aangevraagd, waarbij het UWV telkens heeft geweigerd deze toe te kennen op grond van onvoldoende arbeidsongeschiktheid (minder dan 25%). In 2023 diende zij opnieuw een aanvraag in met aanvullende medische informatie, maar het UWV concludeerde dat deze gegevens geen aanleiding gaven om eerdere besluiten te herzien.

De rechtbank Noord-Nederland heeft het bezwaar van appellante tegen het laatste besluit ongegrond verklaard, waarbij werd overwogen dat het UWV zorgvuldig en gemotiveerd heeft gehandeld en dat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die een herbeoordeling rechtvaardigen. De rechtbank wees ook het beroep van appellante af, die stelde dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat zij al vanaf haar zeventiende jaar arbeidsongeschikt was.

In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank bevestigd. De Raad stelde vast dat de aanvraag van appellante beoordeeld moet worden aan de hand van de destijds geldende criteria van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en dat het UWV terecht heeft geoordeeld dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die een herziening van de eerdere besluiten rechtvaardigen.

De Raad oordeelde dat het beroep niet slaagt en dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer op 7 mei 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de Wajong-uitkering blijft in stand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/355 WAJONG
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 8 januari 2025, 24/2642 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 7 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft besloten om niet terug te komen van de weigering om appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Volgens appellante is sprake van een onzorgvuldig onderzoek en blijkt uit nieuwe medische informatie dat zij op haar zeventiende en achttiende jaar arbeidsongeschikt was. De Raad volgt dit standpunt niet. Het Uwv heeft op goede gronden geen aanleiding gezien om van de eerdere weigering terug te komen.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft een nader stuk ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 maart 2026. Namens appellante is [gemachtigde] verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 1973, heeft op 14 juni 2005 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 1998). Na een verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige beoordeling heeft het Uwv met een besluit van 16 maart 2006 afwijzend op deze aanvraag beslist op de grond dat appellante op en na [geboortedatum] 1991 minder dan 25% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Op 8 september 2014 heeft appellante opnieuw een Wajong-aanvraag gedaan. Bij besluit van 22 september 2014 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van het besluit van 16 maart 2006, omdat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden.
1.3.
Appellante heeft met een door het Uwv op 23 oktober 2023 ontvangen formulier, een aanvraag beoordeling arbeidsvermogen ingediend. Bij haar aanvraag heeft appellante informatie van GGZ Zuidwest-Drenthe uit 2011, verslagen van [X] uit 2022, een verslag psychologisch onderzoek van [geboortedatum] 2022, een beoordeling arbeidsvermogen van LFB van 20 oktober 2021 en een CIZ-indicatie van 20 april 2012 overgelegd. Op 4 november 2023 heeft een verzekeringsarts na dossierstudie geconcludeerd dat er geen nieuwe medische gegevens of feiten zijn die aanleiding geven om terug te komen van de voorgaande beoordeling. Met een besluit van 6 november 2023 heeft het Uwv vervolgens geweigerd terug te komen van de eerdere besluitvorming.
1.4.
Bij besluit van 26 april 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat geen sprake is van willekeur of formalistisch handelen door de zaak van appellante niet voor te leggen aan de maatwerkplaats of te laten beoordelen door een maatwerkteam van het Uwv. De maatwerkplaats heeft geen formele wettelijke of beleidsmatige beslissingsbevoegdheid. Er kan in dit geval niet aan een toetsing van de aanvraag aan artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden ontkomen.
2.2.
De rechtbank heeft vastgesteld dat het Uwv de aanvraag van appellante terecht heeft aangemerkt als een verzoek om terug te komen van de besluiten van 16 maart 2006 en 22 september 2014. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die maken dat teruggekomen zou moeten worden van deze eerdere besluiten. In 2006 en 2014 is vastgesteld dat appellante op de leeftijd van achttien jaar voor minder dan 25% arbeidsongeschikt is beschouwd. Niet kan worden gezegd dat in het geheel geen rekening is gehouden met de licht verstandelijke beperking van appellante. De verzekeringsarts van het Uwv is in 2014 uitgegaan van de diagnose: lichte verstandelijke beperking. Dit was gebaseerd op het psychologisch onderzoek GGZ Zuidwest-Drenthe PPG van april 2006. De verzekeringsarts heeft destijds in 2006 diverse beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren van appellante aangenomen. De beperkingen zijn in 2014 niet wezenlijk anders dan is vastgesteld in 2006.
2.3.
Het Uwv heeft in de huidige medische informatie geen medische redenen gezien om anders te oordelen over de belastbaarheid van appellante op haar achttiende jaar. De verzekeringsarts heeft toegelicht dat bij appellante nog steeds sprake is van beperkingen als gevolg van ziekte en/of gebrek en dat deze wellicht nu met het vorderen van de leeftijd zijn toegenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kan dit oordeel volgen en heeft geen aanknopingspunten gezien die aannemelijk maken dat het eerste afwijzende Wajong-besluit evident onjuist was. Dat nu ook ADHD wordt genoemd, waar in 2006 nog aan werd getwijfeld, zet als gegeven het belastbaarheidsprofiel niet in een ander daglicht. Overigens werd ADHD al in het medisch rapport van 19 september 2014 vermeld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk en gemotiveerd aangegeven waarom geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.
2.4.
Tot slot heeft de rechtbank in wat appellante heeft aangevoerd geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Dat appellante zich door haar aangeboren verstandelijke beperking en de door haar ervaren hinder en frustratie niet (eerder) serieus genomen voelt, acht de rechtbank voorstelbaar, maar maakt niet dat de eerdere besluitvorming voor onjuist moet worden gehouden.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het Uwv en de rechtbank ten onrechte niet hebben onderkend dat de aanvraag had moeten worden beoordeeld op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW).
3.1.
Daarnaast heeft appellante aangevoerd dat zij al vanaf haar zeventiende jaar ruimschoots meer dan 52 weken arbeidsongeschikt moet worden geacht. Appellante stelt dat sprake is van een onzorgvuldig onderzoek. Er is onvoldoende onderzoek gedaan naar de beperkingen van appellante op haar zeventiende verjaardag. Ook zijn de conclusies van de verzekeringsartsen onmiskenbaar onjuist. Niet in geschil is dat sprake is van een verstandelijke beperking. Appellante was al 2005 aangewezen op begeleid werken. Door de intensieve begeleidingsbehoefte en de verstandelijke beperking kan appellante niet functioneren bij een reguliere werkgever. Ook heeft appellante nooit zelfstandig een huishouden gevoerd en kan zij niet zelfstandig functioneren. Appellante heeft verwezen naar een uitspraak van de Raad van 4 januari 2017, [1] en gesteld dat deze uitspraak ook op haar situatie van toepassing is, gezien de begeleiding die zij nodig heeft.
3.2.
De bestreden besluitvorming is evident onredelijk. Het standpunt van het Uwv dat geen sprake is van gewijzigde omstandigheden toont namelijk een houding van rigide en formalistisch gedrag. Het Uwv had maatwerk moeten leveren, door conclusies te verbinden aan het, naar appellante stelt, onzorgvuldige onderzoek en door de nadelige effecten daarvan weg te nemen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
5.2.
Appellante is geboren vóór 1 januari 1980 en heeft haar eerste aanvraag om een Wajonguitkering vóór 18 december 2020 ingediend. Voor de vraag of appellante als jonggehandicapte moet worden aangemerkt, moet in dat geval worden beoordeeld of appellante op haar zeventiende en achttiende jaar voldeed aan de criteria uit de artikelen 5 en 6 van de toenmalige AAW. [2] Daarbij maakt het niet uit dat het Uwv de aanvraag in 2005 destijds heeft beoordeeld op grond van de bepalingen van de Wajong 1998. Bij de aanvraag in 2005 zijn door de arbeidsdeskundige een groot aantal functies geselecteerd. Zowel voor de toepassing van de AAW als de Wajong 1998 is daarmee vastgesteld dat appellante in staat is om met arbeid meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen en zij om die reden niet als jonggehandicapte kan worden aangemerkt.
5.3.
Het Uwv heeft op de herhaalde aanvraag van appellante beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. [3]
5.4.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van de gronden die zij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft geoordeeld dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die aanleiding geven terug te komen van de eerdere afwijzende besluitvorming. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die aan dat oordeel ten grondslag liggen. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.
5.5.
De enkele verwijzing van appellante naar de uitspraak van de Raad van 4 januari 2017 [4] levert geen nieuwe feiten of omstandigheden op. Omdat geen sprake is van nova, wordt bovendien niet toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling, zodat de verwijzing ook verder niet wordt betrokken bij de beoordeling.
5.6.
Uit het voorgaande volgt dat het Uwv zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat appellante geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft gesteld die maken dat het Uwv had moeten terugkomen van de eerdere besluiten waarin een Wajong-uitkering werd geweigerd. Nu de onjuistheid van de oorspronkelijke besluiten niet is komen vast te staan, is er geen aanleiding voor het oordeel dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van die besluiten evident onredelijk is.

Conclusie en gevolgen

5.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en F.M. Rijnbeek en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2026.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) D.M.A. van de Geijn

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 4:6 van Pro de Awb
1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de Pro aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
Artikel 5 van Pro de AAW
1. Arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. […]
Artikel 6 van Pro de AAW
1. Recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft: […]
b. de verzekerde, die op de dag, waarop hij 17 jaar wordt, arbeidsongeschikt is;
zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is. [..]
6. Voor de toepassing van het bepaalde in de vorige leden wordt niet als arbeidsongeschikt beschouwd degene, die minder dan 25% arbeidsongeschikt is.

Voetnoten

1.CRvB 4 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:30.
2.CRvB 8 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1111.
3.CRvB 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.
4.CRvB 4 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:30.