Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:497

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
25/321 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 WAOArt. 57 lid 1 WAOArt. 57 lid 6 WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering wegens loonvormende arbeid

Appellant ontving sinds 2007 een WAO-uitkering, berekend op 80-100% arbeidsongeschiktheid. Het UWV stelde na onderzoek vast dat appellant vanaf augustus 2014 werkzaamheden verrichtte voor een BV van zijn echtgenote, die als loonvormende arbeid konden worden aangemerkt. Hoewel appellant zelf geen inkomsten genoot, profiteerde hij indirect van de positieve resultaten van de BV.

Het UWV bracht de geschatte inkomsten, gelijk aan het loon van zijn echtgenote, in mindering op de WAO-uitkering en vorderde €260.244,21 terug. De rechtbank oordeelde dat het UWV voldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant arbeid verrichtte en dat de schatting van inkomsten acceptabel was. De terugvordering werd niet beperkt wegens het ontbreken van dringende redenen.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij slechts vrijwilligerswerk verrichtte binnen acht uur per week en dat de terugvordering onevenredig was, mede vanwege zijn gezondheid en nalatigheid van het UWV. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank, stelde vast dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden en dat het UWV de terugvordering terecht had vastgesteld. De zes-maanden jurisprudentie was niet van toepassing.

De Raad concludeerde dat het beroep ongegrond is, de terugvordering en korting op de WAO-uitkering in stand blijven en dat appellant geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: De terugvordering van €260.244,21 onverschuldigde WAO-uitkering wordt bevestigd wegens loonvormende arbeid en schending van de inlichtingenplicht.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/321 WAO
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 8 januari 2025, 22/1124 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 23 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht inkomsten uit arbeid in mindering heeft gebracht op de WAO-uitkering van appellant en over de periode van 1 augustus 2014 tot 1 november 2021 een bedrag van € 260.244,21 bruto aan onverschuldigd betaalde WAOuitkering van appellant heeft teruggevorderd. Evenals de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag bevestigend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.L. Wittensleger, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft de beroepsgronden aangevuld.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 maart 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wittensleger. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Aan appellant is met ingang van 27 februari 2007 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, die vanaf 29 januari 2011 is berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2.
Naar aanleiding van een melding van het Samenwerkingsverband Handhaving van het Regionaal Informatie- en Expertise Centrum heeft het Uwv een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant betaalde WAO-uitkering. Volgens de melding heeft appellant werkzaamheden verricht voor [ naam B.V. 1] en staat deze B.V. op naam van de echtgenote van appellant. Het Uwv heeft vervolgens onder meer Suwinet en andere systemen geraadpleegd en informatie ingewonnen bij de Kamer van Koophandel, de Belastingdienst, de gemeente Kampen en de curator in het faillissement van [naam B.V. 2] ( [naam B.V. 2] ). Ook hebben twee themaonderzoekers van het Uwv op 1 juli 2021 een gesprek gevoerd met appellant. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport, het Onderzoeksrapport Handhaving Themaonderzoek, van 21 september 2021 (hierna: Onderzoeksrapport). In dat rapport is geconcludeerd dat appellant vanaf augustus 2014 werkzaamheden heeft verricht voor en zakelijk betrokken was bij [ naam B.V. 1] .
1.3.
Bij besluit van 2 november 2021 (primair besluit 1) heeft het Uwv de inkomsten uit deze werkzaamheden vanaf 1 augustus 2014 in mindering gebracht op de WAO-uitkering van appellant en over de periode van 1 augustus 2014 tot 1 november 2021 een bedrag van € 260.244,21 bruto aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde WAO-uitkering van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 9 november 2021 (primair besluit 2) heeft het Uwv beslist over de invordering van het teruggevorderde bedrag.
1.4.
Bij beslissing op bezwaar van 31 mei 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de primaire besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv voldoende aannemelijk gemaakt dat appellant in de beoordelingsperiode werkzaamheden ten behoeve van [ naam B.V. 1] heeft verricht die in het economisch verkeer als loonvormende arbeid kunnen worden aangemerkt. De gegevens die uit het onderzoek van het Uwv naar voren zijn gekomen zijn toereikend voor deze conclusie. Uit de stukken volgt dat appellant vanaf de start van het bedrijf in juli 2014 actief was. Appellant heeft meerdere klanten begeleid, zowel bij het Uwv als bij de gemeente, soms onder zijn eigen naam en soms onder die van zijn echtgenote. Hij stond bij de gemeente te boek als de contactpersoon die bij vragen altijd te benaderen was. Daarnaast verrichtte hij administratieve taken ten behoeve van [ naam B.V. 1] en heeft hij ook overeenkomsten getekend namens [ naam B.V. 1] . Gelet op de aard van deze werkzaamheden waren deze onmiskenbaar van economische betekenis voor het bedrijf van de echtgenote. Naar het oordeel van de rechtbank kan aan deze werkzaamheden in het kader van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling daarom loonwaarde worden toegerekend, ook in de situatie dat appellant voor zijn werkzaamheden niet is betaald. De rechtbank acht het aannemelijk dat appellant wel van de positieve resultaten van [ naam B.V. 1] heeft geprofiteerd en dat gesproken kan worden van indirecte verrijking door appellant.
2.2.
Omdat betrouwbare schriftelijke gegevens over de omvang van het genoten inkomen ontbreken heeft het Uwv bij de toepassing van artikel 44 van Pro de WAO de inkomsten uit arbeid geschat. Aan appellant is hetzelfde inkomen toegerekend als zijn echtgenote volgens de stukken in de jaren 2014-2021 per maand daadwerkelijk van [ naam B.V. 1] heeft ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een acceptabele schatting, waarbij zij van belang heeft geacht dat de winstcijfers van [ naam B.V. 1] voor deze toerekening aan appellant voldoende ruimte boden. Appellant heeft weliswaar gesteld dat hij maximaal acht uur per week actief is geweest, maar hij heeft geen ondubbelzinnige, concrete en verifieerbare gegevens overgelegd waaruit dat blijkt. In dit kader acht de rechtbank ook van belang dat appellant zich voor cliënten van [ naam B.V. 1] bij instanties heeft opgeworpen als contactpersoon, zonder een restrictie in dagen of tijdstippen op te geven. Evenmin heeft de rechtbank aanleiding gezien appellant te volgen in zijn stelling dat hem slechts het (lagere) loon van een medewerker van een zorgcentrum toekwam. Uit het dossier komt immers het beeld naar voren dat appellant zich presenteerde als de vertegenwoordiger van [ naam B.V. 1] . Dit rechtvaardigt op zijn minst een loon dat gelijk is aan dat van zijn echtgenote. De rechtbank is daarom tot de conclusie gekomen dat het Uwv de geschatte inkomsten terecht in mindering heeft gebracht op de WAO-uitkering van appellant, wat ertoe leidt dat zijn WAOuitkering over de gehele periode niet wordt uitbetaald.
2.3.
Met betrekking tot de terugvordering heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv terecht niet vanwege een dringende reden geheel of gedeeltelijk van terugvordering hoefde af te zien. Volgens de rechtbank is de oorzaak van de terugvordering gelegen in het verzwijgen van de juiste aard en omvang van de activiteiten die appellant al vanaf 2014 verrichtte. Appellant heeft met het melden van ‘vrijwilligerswerk gedurende acht uur per week vanaf 1 maart 2017’ op 21 maart 2017 geen open kaart gespeeld. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om in dit geval aan te nemen dat de oorzaak van de terugvordering is gelegen in onoplettendheid of door een situatie waarin appellant geen verwijt kan worden gemaakt. Dat het Uwv alerter had kunnen reageren op de melding dat appellant vrijwilligerswerk deed en ook het onderzoek af en toe enige tijd heeft stilgelegen waardoor dit anderhalf jaar heeft geduurd, doet hier niet aan af, gelet op het aandeel van appellant in het ontstaan van de terugvordering.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd dat hij vrijwilligerswerk verrichtte die binnen de opgegeven acht uur per week werden verricht, vaak zelfs nog minder. Uit de aard van de werkzaamheden blijkt dat deze voornamelijk administratief ondersteunend waren en eenvoudig van karakter, waardoor slechts een geringe inspanning geleverd diende te worden die binnen de acht uur bleven (telefoon opnemen, korte mail sturen, meegaan met een gesprek).
3.2.
Appellant stelt verder dat, als de Raad van oordeel is dat hij werkzaamheden heeft verricht voor [ naam B.V. 1] , de terugvordering, onder toepassing van de zes-maanden jurisprudentie, beperkt dient te blijven en dat daarbij dient te worden uitgegaan van maximaal acht uur per week, conform de opgave van appellant van 21 maart 2017 en waarbij uitgegaan dient te worden van het arbeidsloon voor een medewerker van een zorgcentrum. Volgens appellant heeft de rechtbank ook onvoldoende rekening gehouden met de eigen nalatigheid van het Uwv en had in het kader van de belangenafweging ook rekening gehouden moeten worden met de gezondheidssituatie van appellant. Appellant acht de terugvordering in strijd met het evenredigheidsbeginsel.

Het oordeel van de Raad

4.1.
Voorop gesteld wordt dat bij een belastend besluit tot korting van inkomsten uit arbeid en terugvordering van wat aan uitkering is betaald, op het Uwv de verplichting rust om niet alleen de feiten te stellen waarop hij het bestreden besluit doet steunen, maar ook – in geval van betwisting – die feiten aannemelijk te maken. [1]
4.2.
Het oordeel van de rechtbank dat het Uwv voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellant in de beoordelingsperiode werkzaamheden ten behoeve van [ naam B.V. 1] heeft verricht die in het economisch verkeer als loonvormende arbeid kunnen worden aangemerkt, wordt onderschreven. De gegevens uit het Onderzoeksrapport bieden hiervoor een toereikende basis. Uit het Onderzoeksrapport blijkt dat appellant vanaf de start van [ naam B.V. 1] intensief bij de bedrijfsvoering was betrokken. Appellant heeft op 14 augustus 2014, namens zijn echtgenote, de Hoofd- en aannemingsovereenkomst tussen [naam B.V. 2] en [ naam B.V. 1] ondertekend. Uit bijlage 4 van die overeenkomst blijkt dat appellant onder meer was belast met de aanmelding van cliënten, de begeleiding van cliënten bij instanties, het zoeken en toewijzen van een woning, het opstellen van een zorgplan, het invullen en inleveren van uren registratielijsten en het verzenden van de maandelijkse facturen naar [naam B.V. 2] . Uit het Onderzoeksrapport blijkt verder dat appellant vanaf 2014 fungeerde als contactpersoon voor cliënten bij de gemeente Kampen en het Uwv, waarbij hij ook namens die cliënten gesprekken voerde met deze instanties. Ook tekende appellant namens [ naam B.V. 1] zorgovereenkomsten en stond zijn telefoonnummer op deze overeenkomsten vermeld. Ook ontving hij op zijn privérekening diverse inkomsten voor [ naam B.V. 1] , waaronder huur en leefgeld van cliënten. Daarnaast verrichtte hij administratieve werkzaamheden en onderhield hij contact met het administratiekantoor dat de administratie van [ naam B.V. 1] verzorgde. Van vrijwilligerswerk was geen sprake.
4.3.
De Raad heeft vaker overwogen [2] dat een kortingsartikel als artikel 44 van Pro de WAO in beginsel slechts kan worden toegepast in geval van inkomsten uit arbeid die de uitkeringsgerechtigde daadwerkelijk zelf heeft genoten. De Raad heeft daarin echter tevens te kennen gegeven zich bijzondere gevallen te kunnen voorstellen waarin, ondanks het feit dat de betrokkene zelf uit arbeid geen inkomsten heeft genoten, hiervan voor de toepassing van de wet toch sprake is. Hierbij is met name gedacht aan gevallen waarin de betrokkene arbeid van economische waarde en aantoonbare loonwaarde heeft verricht, waarvoor hij weliswaar niet zelf is beloond, maar in verband waarmee hij zichzelf toch direct of indirect heeft verrijkt. Evenals de rechtbank acht de Raad het aannemelijk dat appellant van de positieve resultaten van [ naam B.V. 1] heeft geprofiteerd en dat gesproken kan worden van indirecte verrijking door appellant.
4.4.
De Raad onderschrijft ook het oordeel van de rechtbank dat het Uwv, door het ontbreken van betrouwbare schriftelijke gegevens over de omvang van de genoten inkomsten bij de toepassing van artikel 44 van Pro de WAO deze inkomsten heeft mogen schatten en daarbij aan appellant hetzelfde inkomen mocht toerekenen als zijn echtgenote volgens de stukken in de beoordelingsperiode per maand van [ naam B.V. 1] heeft ontvangen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen boden de winstcijfers van [ naam B.V. 1] daartoe voldoende ruimte. Appellant heeft niet, aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk gemaakt dat deze schatting onjuist was. De in bezwaar overgelegde verklaringen van enkele medewerkers van [ naam B.V. 1] zijn daarvoor te algemeen en in het licht van alle onderzoeksgegevens ontoereikend. Het Uwv heeft dan ook de geschatte inkomsten terecht in mindering gebracht op de WAO-uitkering van appellant, waardoor deze uitkering de gehele beoordelingsperiode niet tot uitbetaling komt.
4.5.
Het Uwv was op grond van artikel 57, eerste lid, van de WAO verplicht om de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering van appellant terug te vorderen. De Raad vat het beroep van appellant op het evenredigheidsbeginsel op als een beroep op dringende redenen als bedoeld in artikel 57, zesde lid, van de WAO. Bij zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 [3] heeft de Raad zijn uitleg van de dringende reden verruimd. De Raad ziet het begrip dringende reden (voortaan) als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de terugvordering, maar ook met de oorzaak ervan. Daarbij dienen alle relevante feiten en omstandigheden te worden betrokken, waaronder de vraag wat het eigen aandeel van het Uwv is in de redenen voor de korting van inkomsten van arbeid en/of terugvordering. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan eigen fouten van het Uwv of trage besluitvorming. Van belang is ook het eigen aandeel van de betrokkene in de ontstane situatie: is sprake van een bewuste schending van de inlichtingenverplichting, een onoplettendheid, of een situatie waarin een betrokkene geen verwijt gemaakt kan worden, maar hij wel heeft moeten begrijpen dat hij te veel uitkering ontving.
4.6.
De Raad is van oordeel dat het Uwv in de situatie van appellant bij de beoordeling van de dringende reden zowel bij de oorzaak als bij de gevolgen van de terugvordering alle relevante feiten en omstandigheden voldoende heeft meegewogen en terecht geen aanleiding heeft gezien op grond van een dringende reden geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien.
4.7.
De oorzaak van de terugvordering is onmiskenbaar gelegen in een schending van de inlichtingenverplichting van appellant. Appellant heeft het Uwv met de melding van 21 maart 2017 niet volledig, niet juist en niet tijdig geïnformeerd over zijn werkzaamheden bij [ naam B.V. 1] . De terugvordering is door toedoen van appellant ontstaan. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de omstandigheid dat het Uwv alerter had kunnen reageren op deze melding van appellant dat hij vrijwilligerswerk deed en ook het onderzoek af en toe enige tijd heeft stilgelegen en daardoor anderhalf jaar heeft geduurd, hier niet aan afdoet, gelet op het aandeel van appellant in het ontstaan van de terugvordering. Het beroep van appellant op de zes-maanden jurisprudentie, [4] zoals die voor de inwerkingtreding van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid van toepassing was, slaagt reeds niet omdat deze jurisprudentie niet van toepassing is in situaties als de onderhavige waarbij sprake is van een schending van de inlichtingenplicht.
4.8.
Wat betreft de gevolgen van de terugvordering heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hierdoor zijn gezondheidssituatie is verslechterd. Voorts acht de Raad van belang dat het Uwv, zoals ter zitting is toegelicht, bij de invordering rekening houdt met de aflossingscapaciteit van appellant. Gelet hierop is er geen aanleiding om in dit geval de gevolgen van het terugvorderingsbesluit als onevenredig te beoordelen.

Conclusie en gevolgen

4.9.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat korting van de inkomsten uit arbeid en de terugvordering in stand blijven.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en G.C. Boot en S.B. SmitColenbrander als leden, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) M.G.J. van Eck

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 6 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1831.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 27 juni 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD7034.
3.CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.
4.Zie de uitspraak van de Raad van 25 september 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AD5986.