ECLI:NL:CRVB:2026:497
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- G.C. Boot
- S.B. SmitColenbrander
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering wegens loonvormende arbeid
Appellant ontving sinds 2007 een WAO-uitkering, berekend op 80-100% arbeidsongeschiktheid. Het UWV stelde na onderzoek vast dat appellant vanaf augustus 2014 werkzaamheden verrichtte voor een BV van zijn echtgenote, die als loonvormende arbeid konden worden aangemerkt. Hoewel appellant zelf geen inkomsten genoot, profiteerde hij indirect van de positieve resultaten van de BV.
Het UWV bracht de geschatte inkomsten, gelijk aan het loon van zijn echtgenote, in mindering op de WAO-uitkering en vorderde €260.244,21 terug. De rechtbank oordeelde dat het UWV voldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant arbeid verrichtte en dat de schatting van inkomsten acceptabel was. De terugvordering werd niet beperkt wegens het ontbreken van dringende redenen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij slechts vrijwilligerswerk verrichtte binnen acht uur per week en dat de terugvordering onevenredig was, mede vanwege zijn gezondheid en nalatigheid van het UWV. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank, stelde vast dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden en dat het UWV de terugvordering terecht had vastgesteld. De zes-maanden jurisprudentie was niet van toepassing.
De Raad concludeerde dat het beroep ongegrond is, de terugvordering en korting op de WAO-uitkering in stand blijven en dat appellant geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: De terugvordering van €260.244,21 onverschuldigde WAO-uitkering wordt bevestigd wegens loonvormende arbeid en schending van de inlichtingenplicht.