ECLI:NL:CRVB:2026:497
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering wegens loonvormende arbeid
Appellant ontving sinds 2007 een WAO-uitkering, berekend op 80-100% arbeidsongeschiktheid vanaf 2011. Het UWV startte een onderzoek naar de rechtmatigheid van de uitkering na een melding dat appellant werkzaamheden verrichtte voor een BV van zijn echtgenote. Uit het onderzoek bleek dat appellant vanaf augustus 2014 diverse werkzaamheden verrichtte die als loonvormende arbeid konden worden aangemerkt, hoewel hij zelf geen directe inkomsten ontving.
Het UWV bracht de geschatte inkomsten, gelijk aan het loon van zijn echtgenote, in mindering op de WAO-uitkering en vorderde een bedrag van €260.244,21 terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat de werkzaamheden van economische betekenis waren en dat appellant indirect van de BV profiteerde. De terugvordering werd niet beperkt vanwege het ontbreken van dringende redenen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het om vrijwilligerswerk ging, dat de terugvordering beperkt moest blijven tot zes maanden en dat rekening gehouden moest worden met zijn gezondheid en nalatigheid van het UWV. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank, stelde dat de schending van de inlichtingenplicht door appellant de oorzaak was van de terugvordering en dat het UWV de inkomsten terecht had geschat. De Raad verwierp het beroep op het evenredigheidsbeginsel en de zes-maanden jurisprudentie.
De Raad concludeerde dat het UWV alle relevante feiten en omstandigheden had meegewogen en dat de terugvordering niet onevenredig was. Het hoger beroep werd afgewezen, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van onverschuldigde WAO-uitkering wegens loonvormende arbeid en wijst het hoger beroep af.