Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:488

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
24/1868 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 Wet WIAArt. 16 Dagloonbesluit werknemersverzekeringenArt. 1, tweede lid, Dagloonbesluit werknemersverzekeringenArt. 5, vijfde lid, Dagloonbesluit werknemersverzekeringenArt. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling vaststelling WIA-dagloon ondanks coronamaatregelen

Appellant betwistte de vaststelling van zijn WIA-dagloon door het UWV, omdat de gehanteerde referteperiode tijdens de coronapandemie minder loon bevatte dan gebruikelijk door minder gewerkte uren. Hij stelde dat het dagloon op basis van een representatieve periode vóór de coronamaatregelen had moeten worden berekend en dat het SV-loon niet overeenkwam met zijn netto loon op loonstroken.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd bevestigd dat de referteperiode wettelijk is vastgesteld en niet kan worden aangepast. Het UWV paste later het dagloon aan door loonloze perioden buiten beschouwing te laten, maar appellant bleef het oneens met de berekening.

De Centrale Raad van Beroep vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het eerste besluit van het UWV, maar verklaarde het beroep tegen het gewijzigde besluit ongegrond. De Raad oordeelde dat de wettelijke regels dwingend zijn en dat het historisch genoten loon bepalend is, ongeacht de oorzaak van loonvermindering. Ook het argument over het aantal werkelijk gewerkte dagen faalde, omdat alle doordeweekse dagen als dagloondagen gelden.

De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht, maar wees een verzoek tot vergoeding van kosten voor een brief van een administratie af omdat deze niet relevant was voor het geschil.

Uitkomst: Het UWV heeft het WIA-dagloon terecht vastgesteld op € 52,07 ondanks de coronamaatregelen; het beroep tegen het eerste besluit is gegrond, tegen het tweede ongegrond.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/1868 WIA, 25/433 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 juni 2024, 23/3725 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 22 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv het dagloon van de aan appellant toegekende WIA-uitkering terecht heeft vastgesteld op € 52,07. Appellant heeft aangevoerd dat de door het Uwv gehanteerde referteperiode niet representatief is, omdat hij in deze periode als gevolg van de destijds geldende coronamaatregelen minder werd ingeroosterd en dus minder loon heeft ontvangen dan voor hem gebruikelijk was. Verder heeft appellant aangevoerd dat het door het Uwv gehanteerde SV-loon niet overeenkomt met het netto loon dat is vermeld op zijn loonstroken. Appellant heeft tot slot aangevoerd dat het Uwv had moeten uitgaan van het aantal werkelijk gewerkte dagen in plaats van de dagloondagen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen. De Raad volgt appellant hierin niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het dagloon juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft het Uwv gevraagd of de uitspraken van de Raad van 30 juli 2024 [1] over de berekening van het dagloon op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aanleiding geven om in deze zaak tot een ander standpunt te komen.
Het Uwv heeft op 24 januari 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Appellant heeft een zienswijze ingediend en het Uwv heeft daarop gereageerd.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 11 maart 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door [gemachtigde] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Bij besluit van 1 augustus 2022 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 10 augustus 2022 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend. Het WIA-dagloon is hierbij (na indexering) vastgesteld op € 39,90. Voor de berekening van het dagloon is het Uwv uitgegaan van het SV-loon dat appellant heeft genoten in de periode van 10 augustus 2019 tot en met 9 augustus 2020, de zogenoemde referteperiode. Het gaat daarbij volgens het Uwv om een totaal SV-loon van € 9.962,56. Dit SV-loon heeft het Uwv gedeeld door 261 dagloondagen.
1.2.
Bij besluit van 23 juni 2023 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en daarmee dit besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank, samengevat en voor zover in hoger beroep relevant, overwogen dat, omdat 12 augustus 2020 de eerste ziektedag van appellant is, de referteperiode op grond van artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) loopt van 10 augustus 2019 tot en met 9 augustus 2020. De wettelijk vastgestelde dagloonregels bieden geen ruimte om van een andere referteperiode uit te gaan. Volgens vaste rechtspraak volgt uit deze regels dat het loon dat daadwerkelijk is genoten tijdens de referteperiode (historisch dagloon) bepalend is voor de vaststelling van het welvaartsniveau. [2] Hieraan is inherent dat geen rekening wordt gehouden met vóór de referteperiode genoten inkomsten. De rechtbank heeft daarom geen mogelijkheid gezien om de referteperiode met een jaar te verschuiven naar 2019, zoals appellant heeft betoogd. Ook het standpunt van appellant dat het door het Uwv gehanteerde SV-loon niet juist is, heeft de rechtbank niet gevolgd.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de door het Uwv gehanteerde referteperiode niet representatief is. Hij heeft toegelicht dat hij werkzaam was op basis van een 0-urencontract en dat hij als gevolg van de destijds geldende coronamaatregelen minder werd ingeroosterd, en daardoor ook minder loon ontving dan voor hem gebruikelijk was. Appellant is van mening dat voor de berekening van het dagloon moet worden uitgegaan van een representatieve referteperiode, in zijn geval is dat de periode voordat de coronamaatregelen van kracht werden. Hierbij heeft appellant erop gewezen dat de arbeidsdeskundige, bij het vaststellen van het maatmaninkomen, enkele maanden waarin hij niet of nauwelijks heeft gewerkt buiten beschouwing heeft gelaten.
Gewijzigde beslissing op bezwaar
4.1.
In de gewijzigde beslissing op bezwaar van 24 januari 2025 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het dagloon (na indexering) alsnog vastgesteld op € 52,07. Daarbij zijn de periodes van 4 november 2019 tot en met 31 december 2019 en van 13 juli 2020 tot en met 9 augustus 2020, waarin appellant geen loon heeft ontvangen (de zogeheten loonloze tijdvakken), door het Uwv alsnog buiten beschouwing gelaten. Het Uwv heeft het totale SVloon dat appellant in de referteperiode heeft genoten vervolgens gedeeld door 200 dagloondagen.
4.2.
Appellant heeft te kennen gegeven dat hij het niet eens is met de gewijzigde beslissing op bezwaar. Hij heeft aangevoerd dat hij in de referteperiode slechts 89,1 dagen heeft gewerkt en dus ook slechts over dat aantal dagen loon heeft genoten. Het totale SVloon had daarom volgens appellant niet moeten worden gedeeld door 200, maar door 89,1 dagen. Verder heeft appellant erop gewezen dat het door het Uwv gehanteerde SV-loon niet overeenkomt met het netto loon dat hij volgens zijn loonstroken heeft ontvangen en heeft hij gesteld dat voor hem niet inzichtelijk is wat hij als gevolg van de gewijzigde beslissing op bezwaar nog aan uitkering tegoed heeft.
4.3.
Het Uwv heeft in de reactie van appellant op de gewijzigde beslissing op bezwaar geen aanleiding gezien om tot een ander standpunt te komen. In reactie op de stelling van appellant dat niet inzichtelijk is wat hij nog aan uitkering tegoed heeft, heeft het Uwv een betaalspecificatie van 28 januari 2025 overgelegd en een brief die op 6 maart 2025 aan de gemachtigde van appellant is gestuurd.

Het oordeel van de Raad

5.1.
Met bestreden besluit 2 heeft het Uwv bestreden besluit 1 niet langer gehandhaafd. Nu bestreden besluit 1 in de aangevallen uitspraak in stand is gelaten, komt die uitspraak voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaren en bestreden besluit 1 vernietigen. Omdat bestreden besluit 2 niet volledig tegemoetkomt aan de bezwaren van appellant, wordt dit besluit met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, en artikel 6:24 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, in de procedure betrokken en wordt het hoger beroep geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2.
5.2.
In geschil is of het Uwv in bestreden besluit 2 terecht het WIA-dagloon heeft vastgesteld op € 52,07. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.3.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
De referteperiode
5.4.
Uit wat appellant heeft aangevoerd over de door het Uwv gehanteerde referteperiode, begrijpt de Raad dat appellant van mening is dat de strikte toepassing van de dagloonregels in zijn geval leidt tot een onevenredige uitkomst. Hierover wordt als volgt overwogen.
5.4.1.
Met het bestreden besluit heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 13, eerste lid, en artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit. Daarbij heeft het Uwv zoals vermeld in 4.1 de dagloondagen in loonloze tijdvakken buiten beschouwing heeft gelaten op de wijze zoals dit is geregeld in artikel 5, vijfde lid, van het Dagloonbesluit. Dit betekent dat het bestreden besluit berust op een gebonden bevoegdheid die is neergelegd in een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin. Daarom moet worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst leidt. Hiervan is sprake als het besluit in de gegeven omstandigheden voor de belanghebbende onredelijk bezwarend is. [3] De door appellant gestelde bijzondere omstandigheden leiden niet tot de conclusie dat het bestreden besluit voor hem onredelijk bezwarend is. Daarvoor is het volgende van belang.
5.4.2.
De Raad heeft al eerder overwogen dat de referteperiode voor de vaststelling van het dagloon dwingend volgt uit artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit en dat de referteperiode niet kan worden losgekoppeld van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag. [4] Het is ook vaste rechtspraak dat het loon dat daadwerkelijk werd genoten tijdens de referteperiode (historisch dagloon) bepalend is voor de vaststelling van het welvaartsniveau. Hieraan is inherent dat periodes waarin minder loon is genoten tijdens de referteperiode, een negatieve invloed hebben op de hoogte van het dagloon. De besluitgever heeft hiermee rekening gehouden en maakt daarbij geen onderscheid naar de reden waarom in een periode minder loon is ontvangen. [5] Dat appellant in andere omstandigheden gewend was om meer uren te werken, maakt het niet onevenredig uit te gaan van het historisch dagloon.
5.5.
De verwijzing door appellant naar de wijze waarop de arbeidsdeskundige het maatmaninkomen heeft vastgesteld, treft geen doel. Nog daargelaten dat de Raad meermalen heeft geoordeeld dat de vaststelling van het maatmaninkomen los staat van de vaststelling van het dagloon, [6] blijkt uit de in het dossier aanwezige rapporten van de arbeidsdeskundige en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat ook bij het vaststellen van het maatmaninkomen is uitgegaan van een SV-loon van € 9.962,56. Net als bij de berekening van het dagloon in bestreden besluit 2, zijn bij het vaststellen van het maatmaninkomen de periodes van 4 november 2019 tot en met 31 december 2019 en van 13 juli 2020 tot en met 9 augustus 2020 buiten beschouwing gelaten.
Het SV-loon
5.6.
De Raad ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat het Uwv bij de berekening van het dagloon is uitgegaan van een onjuist bedrag aan SV-loon. De enkele verwijzing door appellant naar het op de loonstroken weergegeven netto loon is daarvoor onvoldoende.
Het aantal dagloondagen
5.7.
De beroepsgrond dat het Uwv het in de referteperiode genoten SV-loon niet had moeten delen door 200, maar door 89,1 dagen, slaagt niet. In de uitspraken van 30 juli 2024 heeft de Raad geoordeeld dat het Uwv bij de berekening van het WIA-dagloon rekening moet houden met loonloze tijdvakken op de wijze zoals dit is geregeld in artikel 5, vijfde lid, van het Dagloonbesluit. In deze bepaling staat – kort gezegd – dat het in de referteperiode genoten SV-loon moet worden gedeeld door het aantal dagloondagen van de kalendermaanden waarin loon is genoten. Uit artikel 1, tweede lid, van het Dagloonbesluit volgt dat alle doordeweekse dagen als dagloondagen worden aangemerkt. Of op deze dagen feitelijk is gewerkt en of over deze dagen loon is genoten, is voor het bepalen van het aantal dagloondagen dus niet relevant.
De uitvoering van de gewijzigde beslissing op bezwaar
5.8.
Uit de door het Uwv ingediende betaalspecificatie van 28 januari 2025 blijkt welk bedrag appellant als gevolg van de gewijzigde beslissing op bezwaar nog tegoed heeft en hoe dit bedrag is opgebouwd. Voor zover appellant het niet eens is met de betaalspecificatie van 28 januari 2025, valt dit buiten de omvang van het geding.

Conclusie en gevolgen

5.9.
Het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Het beroep tegen bestreden besluit 1 wordt gegrond verklaard en bestreden besluit 1 wordt vernietigd. Het beroep tegen bestreden besluit 2 slaagt niet. De Raad zal daarom het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaren.
6.1.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934,- per punt) in beroep en € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 0,5 punt voor de reactie op bestreden besluit 2 en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934,- per punt) in hoger beroep, in totaal € 4.203,- voor verleende rechtsbijstand.
6.2.
Appellant heeft hiernaast verzocht om vergoeding van de kosten die hij heeft moeten maken voor een brief van Steert Administratie van 15 februari 2024 die hij tijdens de beroepsprocedure bij de rechtbank heeft ingediend. Dit verzoek wordt afgewezen. De brief van Steert Administratie ziet op een nabetaling door de (ex-)werkgever over de periode vanaf de ziekmelding van appellant op 12 augustus 2020. Die brief heeft daarmee geen betrekking op het in deze zaak voorliggende geschil, dat gaat over de berekening van het dagloon aan de hand van het loon dat appellant heeft genoten in de periode vóór de ziekmelding van 12 augustus 2020.
6.3.
Wel moet het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 23 juni 2023 gegrond en vernietigt dit besluit;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 24 januari 2025 ongegrond;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 4.203,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 188,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en C. Karman als leden, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) S.P.A. Elzer

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 13 van Pro de Wet WIA:
1. Voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid, is ingetreden doch ten hoogste het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
[…]
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden met betrekking tot de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zonodig afwijkende regels gesteld.
[…]
Artikel 1, tweede lid, van het Dagloonbesluit:
Voor de toepassing van dit besluit is maandag de eerste dag van de kalenderweek en zijn de eerste vijf dagen van de kalenderweek dagloondagen.
Artikel 5, vijfde lid, van het Dagloonbesluit:
Indien de referteperiode voor de dagloonvaststelling van een reguliere WW-uitkering een of meer kalendermaanden kent waarin geen loon is genoten anders dan vanwege verlof of werkstaking, dan staat D, in afwijking van het eerste lid, voor het aantal dagloondagen van de kalendermaanden waarin loon is genoten of waarin geen loon is genoten vanwege verlof of werkstaking. Het in een aangiftetijdvak genoten loon wordt, voor zover het binnen de referteperiode is genoten, toegerekend aan de kalendermaand waarin de laatste dag van het aangiftetijdvak ligt. Een kalendermaand ligt binnen de referteperiode, indien één of meer dagloondagen van de kalendermaand binnen de referteperiode vallen.
Artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit:
Onder referteperiode wordt in dit hoofdstuk de periode verstaan van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, of die eindigt, in geval de arbeidsongeschiktheid is ingetreden in gelijktijdige dienstbetrekkingen, op de laatste dag van het aangiftetijdvak dat het eerst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid is geëindigd.
Artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit:
Het dagloon van uitkeringen op grond van de Wet WIA en de WAO is de uitkomst van de volgende berekening:
(A – B + C) / D
waarbij:
A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers;
B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die in de referteperiode als loon zijn uitbetaald ten laste van een opgebouwd bedrag en de bedragen die in die periode als loon zijn uitbetaald ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag;
C staat voor de in de referteperiode opgebouwde bedragen ten behoeve van vakantiebijslag dan wel ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag; en
D staat voor 261.

Voetnoten

2.Zie bijvoorbeeld rechtsoverweging 4.1 tot en met 4.4 van de uitspraak van de Raad van
3.Zie ook de uitspraak van het CBb van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190, r.o. 8.2.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 15 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2727, r.o. 5.5.2.
5.Zie naast de door de rechtbank genoemde uitspraken van 18 december 2019 en 2 mei 2024 bijvoorbeeld ook de uitspraken van de Raad van 17 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2458, van 16 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:602 en van 23 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1581.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 15 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2727, r.o. 5.4.3.