Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:484

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
24/659 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 Wet WIAArt. 16 DagloonbesluitArt. 7a Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswettenArt. 17 Wet financiering sociale verzekeringen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling vaststelling dagloon WIA-uitkering ondanks coronaperiode met lagere onregelmatigheidstoeslag

Appellante, een touringcarchauffeur, kreeg per 19 september 2022 een WIA-uitkering toegekend met een dagloon van € 83,59, berekend over de referteperiode van 1 september 2019 tot 31 augustus 2020. Zij stelde dat deze periode niet representatief was vanwege de coronamaatregelen, waardoor zij minder onregelmatigheidstoeslag (ORT) ontving dan gebruikelijk. Appellante vorderde dat een andere referteperiode zou worden gehanteerd of dat rekening zou worden gehouden met het gemiddelde ORT van voorgaande jaren.

De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond en handhaafde het besluit van het UWV. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad overweegt dat de referteperiode dwingend is voorgeschreven in de wet- en regelgeving en dat het dagloon het werkelijk genoten loon in die periode weerspiegelt. Het feit dat appellante door corona minder ORT ontving, leidt niet tot een onredelijk bezwarend besluit. De Raad wijst ook op het verschil tussen dagloon en maatmaninkomen, waarbij alleen bij het laatste rekening kan worden gehouden met afwijkende perioden.

Het hoger beroep wordt verworpen, waardoor het dagloon van € 83,59 blijft gelden. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 22 april 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het dagloon van € 83,59 blijft gehandhaafd.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/659 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 20 februari 2024, 23/1331 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 22 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om de vraag of het Uwv het dagloon van de per 19 september 2022 aan appellante toegekende WIA-uitkering terecht heeft vastgesteld op € 83,59. Appellante heeft aangevoerd dat de hoogte van het dagloon te laag is doordat de referteperiode die het Uwv voor de berekening van het dagloon heeft gehanteerd niet representatief is. In deze periode heeft appellante als gevolg van de destijds geldende coronamaatregelen minder onregelmatigheidstoeslag ontvangen dan zij gewend was. Appellante is van mening dat daarom op grond van het evenredigheidsbeginsel een andere referteperiode had moeten worden gehanteerd of dat rekening had moeten worden gehouden met het gemiddelde bedrag aan onregelmatigheidstoeslag dat zij heeft ontvangen in de voorgaande jaren. De Raad volgt appellante hierin niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het dagloon juist heeft berekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.J.M. Smelt, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft een vraag van de Raad beantwoord.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 11 maart 2026. Voor appellante is mr. Smelt verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.W.C. Jacobs.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft gewerkt als touringcarchauffeur. Op 21 september 2020 heeft zij zich ziekgemeld. Bij besluit van 24 november 2022 heeft het Uwv aan appellante met ingang van 19 september 2022 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Het WIA-dagloon is hierbij (na indexering) vastgesteld op € 83,59. Voor de berekening van het dagloon is het Uwv uitgegaan van het loon dat appellante heeft genoten in de periode van 1 september 2019 tot en met 31 augustus 2020, de zogenoemde referteperiode.
1.2.
Bij besluit van 28 april 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep relevant, overwogen dat uit vaste rechtspraak volgt dat voor de vaststelling van het welvaartsniveau het loon bepalend is dat daadwerkelijk is genoten tijdens de referteperiode die geldt voor de Wet WIA (historisch dagloon). [1] Hierdoor hebben periodes waarin geen of minder loon is ontvangen tijdens de referteperiode invloed op de hoogte van het dagloon. Dit heeft de (materiële) wetgever zich gerealiseerd, het gaat om een bewuste keuze. Ook bij appellante doet zich de situatie voor dat zij in een periode minder loon heeft ontvangen. Zo heeft appellante gedurende de maanden van de coronapandemie geen (of veel minder) onregelmatigheidstoeslag (ORT) ontvangen en zij had daar geen invloed op. Door uit te gaan van de referteperiode waarin die maanden zijn gelegen, heeft het Uwv gehandeld in overeenstemming met het principe dat het dagloon een weerspiegeling moet zijn van het welvaartsniveau van de betrokkene bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid. De besluitgever heeft geen onderscheid gemaakt naar de reden waarom in een bepaalde periode minder loon is ontvangen. Dat appellante geen invloed had op de coronapandemie kan er daarom niet toe leiden dat er ruimte is om van de regeling af te wijken. Dat periodes waarin minder loon is ontvangen tijdens de referteperiode invloed hebben op de hoogte van het dagloon kan niet als kennelijk onredelijk of onevenredig worden aangemerkt. [2] In de verwijzing door appellante naar de berekening van het maatmaninkomen heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om anders te oordelen. Het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) biedt namelijk niet de mogelijkheid om de referteperiode voor appellante op een andere wijze vast te stellen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het door het Uwv berekende dagloon geen goede weerspiegeling is van haar welvaartsniveau. In de referteperiode die het Uwv heeft gebruikt om het dagloon te berekenen, was haar loon namelijk beduidend lager dan gebruikelijk omdat zij als gevolg van de destijds geldende coronamaatregelen vanaf februari 2020 geen (of veel minder) ORT heeft ontvangen. Volgens appellante zou daarom op grond van het evenredigheidsbeginsel uit moeten worden gegaan van een andere referteperiode of zou rekening moeten worden gehouden met het gemiddelde bedrag aan ORT dat zij heeft ontvangen over de voorgaande jaren. Appellante heeft er in dat verband op gewezen dat de arbeidsdeskundige bij het berekenen van het maatmaninkomen wel rekening heeft gehouden met de bijzondere omstandigheden vanwege de coronamaatregelen en heeft vastgesteld dat de periode vóór 1 februari 2020 representatief is. Volgens appellante is haar situatie anders dan die in de zaak waarover de Raad op 23 oktober 2025 [3] uitspraak heeft gedaan, omdat het in haar geval niet gaat om overuren maar om toeslagen die betrekking hebben op de reguliere arbeidstijd.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de vaststelling van het dagloon in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.2.
Met het bestreden besluit heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 13, eerste lid, en artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit. Dit betekent dat het bestreden besluit berust op een gebonden bevoegdheid die is neergelegd in een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin. Daarom moet worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift in het geval van appellante tot een onevenredige uitkomst leidt. Hiervan is sprake als het besluit in de gegeven omstandigheden voor appellante onredelijk bezwarend is. [4] De door appellante gestelde bijzondere omstandigheden leiden niet tot de conclusie dat het bestreden besluit voor haar onredelijk bezwarend is. Daarvoor is het volgende van belang.
5.3.
De Raad heeft al eerder overwogen dat de referteperiode voor de vaststelling van het dagloon dwingend volgt uit artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit en dat de referteperiode niet kan worden losgekoppeld van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag. [5] Het is ook vaste rechtspraak dat het loon dat daadwerkelijk is genoten tijdens de referteperiode (historisch dagloon) bepalend is voor de vaststelling van het welvaartsniveau. Hieraan is inherent dat periodes waarin minder loon is genoten tijdens de referteperiode, een negatieve invloed hebben op de hoogte van het dagloon. De besluitgever heeft hiermee rekening gehouden en maakt daarbij geen onderscheid naar de reden waarom in een periode minder loon is ontvangen. [6] Dat appellante in andere omstandigheden gewend was meer ORT te ontvangen, maakt het niet onevenredig uit te gaan van het historisch dagloon.
5.4.
Ook de verwijzing door appellante naar de berekening van het maatmaninkomen door de arbeidsdeskundige, treft geen doel. De Raad heeft meermalen geoordeeld dat de vaststelling van het maatmanloon losstaat van de vaststelling van het dagloon, omdat deze begrippen van elkaar verschillen, het gebruik ervan gebaseerd is op verschillende wettelijke bepalingen en zij niet dezelfde doelen dienen. [7] Op grond van artikel 7a van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) kunnen bij de berekening van het maatmaninkomen aangiftetijdvakken buiten beschouwing worden gelaten of kan een afwijkende periode worden vastgesteld indien in (een deel van) het refertejaar geen sprake is van maatgevende arbeid of van arbeid van een urenomvang die niet maatgevend is. Een soortgelijke bepaling is niet opgenomen in het Dagloonbesluit.

Conclusie en gevolgen

5.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de vaststelling van het dagloon van de WIA-uitkering op € 83,59 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en C. Karman als leden, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) S.P.A. Elzer

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 13 van Pro de Wet WIA:
1. Voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid, is ingetreden doch ten hoogste het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
[…]
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden met betrekking tot de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zonodig afwijkende regels gesteld.
[…]
Artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit:
Onder referteperiode wordt in dit hoofdstuk de periode verstaan van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, of die eindigt, in geval de arbeidsongeschiktheid is ingetreden in gelijktijdige dienstbetrekkingen, op de laatste dag van het aangiftetijdvak dat het eerst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid is geëindigd.
Artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit:
Het dagloon van uitkeringen op grond van de Wet WIA en de WAO is de uitkomst van de volgende berekening:
(A – B + C) / D
waarbij:
A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers;
B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die in de referteperiode als loon zijn uitbetaald ten laste van een opgebouwd bedrag en de bedragen die in die periode als loon zijn uitbetaald ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag;
C staat voor de in de referteperiode opgebouwde bedragen ten behoeve van vakantiebijslag dan wel ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag; en
D staat voor 261.
Artikel 7a van het Schattingsbesluit:
1. Het maatmaninkomen, bedoeld in artikel 6, eerste en derde lid, artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW en artikel 1 van Pro de Wet WIA, wordt vastgesteld door het loon, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdelen a en b, dat de verzekerde of de jonggehandicapte met de maatgevende arbeid in het refertejaar heeft verdiend te delen door het aantal uren van die maatgevende arbeid in het refertejaar, waarbij het loon geacht wordt te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de inhoudingsplichtige van dat loon opgave heeft gedaan.
2. Bij de toepassing van het eerste lid worden het loon verdiend met maatgevende arbeid en het aantal uren van de maatgevende arbeid in volledige aangiftetijdvakken in aanmerking genomen en worden daarbij de aangiftetijdvakken buiten beschouwing gelaten waarin geen sprake is van maatgevende arbeid van de verzekerde of de jonggehandicapte of waarin sprake is van arbeid in een urenomvang die niet maatgevend is.
3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt een andere periode van maximaal één jaar vast waarover het inkomen en het aantal uren van de maatgevende arbeid in aanmerking worden genomen, indien in het refertejaar geen sprake is van maatgevende arbeid of van arbeid van een urenomvang die maatgevend is.
4. Indien de verzekerde of de jonggehandicapte feitelijk geen inkomen heeft verdiend met maatgevende arbeid of arbeid van een urenomvang die maatgevend is, neemt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het inkomen in aanmerking, dat de verzekerde of de jonggehandicapte zou hebben verdiend, indien hij de maatgevende arbeid of arbeid in de urenomvang die maatgevend is, zou hebben verricht, alsmede het aantal uren van die arbeid.
5. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan loon in aanmerking nemen, waarvan geen opgave is gedaan in de aangiftetijdvakken in het refertejaar, indien de verzekerde aantoont, dat hij daarop wel recht had in die aangiftetijdvakken.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 13 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4230 en van 7 oktober 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2482.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 23 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1624.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 23 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1581.
4.Zie ook de uitspraak van het CBb van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190, r.o. 8.2.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 15 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2727, r.o. 5.5.2.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 17 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2458, en van 16 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:602.
7.Zie de eerdergenoemde uitspraak van de Raad van 15 december 2022 (r.o. 5.4.3).