Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:442

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
24/528 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:51a AwbArt. 25 WAOArt. 27 WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening en terugvordering WIA- en WAO-uitkering wegens schending inlichtingenplicht

Appellanten, bestuurders van een sportvereniging, ontvingen WIA- en WAO-uitkeringen. Het Uwv ontdekte dat zij hun bestuursfuncties en inkomsten uit de vereniging niet hadden gemeld, wat een schending van de inlichtingenplicht vormt. Na onderzoek en bezwaarprocedures stelde de rechtbank vast dat het Uwv de uitkeringen terecht had herzien en teruggevorderd, maar dat de vaststelling van de inkomsten schattenderwijs moest gebeuren.

Het Uwv voerde een gedetailleerd onderzoek uit, waarbij bankafschriften, belastinggegevens en andere documenten werden geraadpleegd. De Raad onderschreef het oordeel dat alleen uitgaven die onmiskenbaar aan de vereniging konden worden toegerekend, buiten de inkomstenberekening mochten blijven. Vrijwilligersvergoedingen en bepaalde uitgaven werden niet erkend wegens gebrek aan bewijs.

Appellanten voerden aan dat zij geen inkomsten genoten en dat de administratie deugdelijk was, maar werden niet gevolgd. Ook de door hen aangevoerde arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin zij werden vrijgesproken van het genieten van inkomsten, waren niet relevant voor de bestuursrechtelijke beoordeling.

De Raad concludeerde dat het Uwv terecht de uitkeringen heeft herzien en teruggevorderd en dat er geen dringende reden was om hiervan af te zien. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, waarbij het Uwv nog nadere beslissingen moet nemen over de invordering van de teruggevorderde bedragen.

Uitkomst: De herziening en terugvordering van de WIA- en WAO-uitkeringen van appellanten worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenplicht.

Uitspraak

24/528 WAO, 24/529 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 januari 2024, 20/4384 en 20/4383 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] en [appellant] te [woonplaats] (appellanten)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 8 april 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaken om de vraag of de door de rechtbank bepaalde herziening en terugvordering van de WIA-uitkering van appellant en de door de rechtbank vastgestelde (fictieve) mate van arbeidsongeschiktheid en terugvordering van de WAO-uitkering van appellante, over de periode van 29 september 2015 tot en met 31 december 2019, in stand blijft. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M. Çankaya, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft partijen naar aanleiding van zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 [1] over het toetsingskader bij herzienings- en/of terugvorderingsbesluiten in de gelegenheid gesteld de Raad te informeren of de tussenuitspraak volgens hen gevolgen heeft voor deze zaken. Partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2025. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Çankaya. Het Uwv is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellante ontvangt sinds 19 juni 2000 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellant ontvangt vanaf 14 maart 2011 een WGAuitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).
1.2.
Naar aanleiding van een melding van de gemeente Arnhem dat appellant een eigen sportschool heeft waar hij kickbokstrainingen geeft, dat hij daarnaast kickboksgala’s en toernooien organiseert, dat appellante meehelpt in de sportschool en dat appellanten hiermee inkomsten uit arbeid verdienen, heeft het Uwv een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten betaalde uitkeringen. Uit dit onderzoek is gebleken dat de vereniging met beperkte aansprakelijkheid [naam vereniging] (hierna: vereniging) vanaf 29 september 2015 staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. De vereniging richt zich op kracht- en vechtsport en danslessen. Appellanten zijn bestuurders van deze vereniging. Appellant is voorzitter en appellante is penningmeester en secretaris. Appellanten hebben dit niet gemeld bij het Uwv.
1.3.
Er heeft een vervolgonderzoek plaatsgevonden gericht op de vereniging en de werkzaamheden van appellanten. In dat kader is informatie ingewonnen bij de Belastingdienst, zijn bankafschriften van de zakelijke rekening van de vereniging en bankafschriften van de privérekening van appellanten geraadpleegd, is internetonderzoek verricht, zijn nadere schriftelijke gegevens opgevraagd bij appellanten en zijn appellanten op 5 augustus 2019 gehoord door twee inspecteurs van het Uwv. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een onderzoeksrapport van 22 augustus 2019.
1.4.
In het onderzoeksrapport is geconcludeerd dat in de periode van 7 oktober 2015 tot en met 25 maart 2019 de vereniging in totaal € 162.118,33 aan subsidies heeft ontvangen van de gemeente Arnhem en een bedrag van € 31.492,- aan contributie van leden. Er is in totaal € 38.081,09 van de rekening van de vereniging overgeschreven naar de privérekening van appellante en € 3.735,27 naar de privérekening van appellant. Ook is er in totaal € 22.920,96 overgeschreven van de rekening van de vereniging naar de privérekening van de minderjarige zoon van appellanten. Daarnaast is er in totaal € 58.180,- van de rekening van de vereniging cash (per pin) opgenomen en zijn er voor in totaal € 36.109,26 aan pintransacties geweest van de rekening van de vereniging voor aankopen die niet ten behoeve van de verenging zijn geweest.
1.5.
Bij besluit van 5 december 2019 (besluit 1) heeft het Uwv de WIA-uitkering van appellant met ingang van 29 september 2015 ingetrokken omdat het recht op een WIAuitkering niet kan worden vastgesteld. Bij besluit van 9 december 2019 (besluit 2) heeft het Uwv over de periode van 29 september 2015 tot en met 30 november 2019 een bedrag van € 72.281,76 bruto aan onverschuldigd betaalde WIA-uitkering van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 10 december 2019 (besluit 3) heeft het Uwv beslist dat appellant binnen zes weken een nettobedrag van € 68.448,83 bruto moet terugbetalen, tenzij hij een betalingsregeling treft. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Het Uwv heeft deze bezwaren bij beslissing op bezwaar van 6 juli 2020 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat, nu appellant ook in bezwaar geen juiste en volledige administratie heeft kunnen overleggen, het recht op een WIAuitkering vanaf 29 september 2015 niet kan worden vastgesteld.
1.6.
Bij besluit van 6 december 2019 (besluit 4) heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 29 september 2015 ingetrokken, omdat het recht op een WAOuitkering niet kan worden vastgesteld. Bij besluit van 10 december 2019 (besluit 5) heeft het Uwv over de periode van 29 september 2015 tot en met 30 november 2019 een bedrag van € 68.238,82 aan onverschuldigd betaalde WAO-uitkering van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 17 december 2019 (besluit 6) heeft het Uwv beslist dat appellante binnen zes weken een nettobedrag van € 64.740,67 moet terugbetalen, tenzij zij een betalingsregeling treft. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Het Uwv heeft deze bezwaren bij beslissing op bezwaar van 6 juli 2020 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. Ook aan dit besluit heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat, nu appellante ook in bezwaar geen juiste en volledige administratie heeft kunnen overleggen, het recht op WAOuitkering niet kan worden vastgesteld.
Tussenuitspraak van de rechtbank
2.1.
Appellanten hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. In een tussenuitspraak van 25 mei 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv erin is geslaagd aannemelijk te maken dat appellanten de op hen rustende inlichtingenplicht hebben geschonden door niet door te geven dat zij bestuurders zijn van de vereniging en inkomsten hebben gegenereerd uit (hun activiteiten voor) die vereniging. Naar het oordeel van de rechtbank had het voor appellanten redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat het zijn van bestuurder een omstandigheid is die voor de vaststelling van het recht op hun uitkeringen van belang kan zijn en dus had moeten worden doorgegeven. De door appellanten beklede bestuursfuncties kunnen worden gekwalificeerd als in het maatschappelijk verkeer op geld waardeerbare werkzaamheden. De aard en de omvang van die werkzaamheden en eventuele daaruit of in verband daarmee ontvangen inkomsten zijn daarom van belang voor de vaststelling van het recht op een WIAuitkering dan wel een WAO-uitkering.
2.2.
De daaropvolgende vraag of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat als gevolg van de schending van de inlichtingenplicht het recht op een WIA-uitkering en het recht op een WAO-uitkering niet meer kan worden vastgesteld, heeft de rechtbank ontkennend beantwoord. De rechtbank heeft overwogen dat de door appellanten na de schending van de inlichtingenplicht ingebrachte stukken weliswaar geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op een WIA-uitkering voor appellant en voor het recht op een WAOuitkering voor appellante, maar dat deze stukken wel dermate concreet en toetsbaar zijn dat het Uwv op basis van deze beschikbare stukken, in overeenstemming met vaste jurisprudentie [2] , gehouden was om in bezwaar (en later in beroep) schattenderwijs vast te stellen of, en zo ja, tot welk bedrag, appellant en appellante recht op een WIA-uitkering respectievelijk een WAO-uitkering zouden hebben. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat niet op voorhand valt uit te sluiten dat appellanten nog een (aanvullend) recht op uitkering toekomt. Op grond hiervan heeft de rechtbank geoordeeld dat de bestreden besluiten voor wat betreft de intrekking van de WIA-uitkering en WAO-uitkering niet berusten op een deugdelijke motivering en niet zorgvuldig zijn voorbereid. De besluiten zijn in zoverre genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.3.
De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:51a van de Awb, het Uwv in de gelegenheid gesteld het gebrek in de bestreden besluiten te herstellen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv, om de gebreken te herstellen, aan de hand van alle door appellanten in bezwaar en beroep ingebrachte stukken moet inventariseren welke uitgaven ten gunste van de vereniging zijn gedaan. Uitsluitend posten die direct te relateren zijn aan uitgaven voor de vereniging, zoals bijvoorbeeld de facturen met betrekking tot de aankopen bij [bedrijf 1] , en de daar werkzame vrijwilligers kunnen naar het oordeel van de rechtbank buiten de aan appellanten toe te rekenen inkomsten worden gelaten. Alle overige posten kunnen wel aan appellanten worden toegerekend. Daaraan heeft de rechtbank toegevoegd dat het eventuele nadeel voor appellanten voortvloeiende uit onzekerheden voor hun rekening komt vanwege de schending van hun inlichtingenplicht. De rechtbank heeft verder aangegeven hoe de berekening van de toerekening dient te geschieden. De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld om het geconstateerde gebrek in de besluitvorming binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak te herstellen, met inachtneming van wat in die tussenuitspraak is overwogen. In een tussenuitspraak van 17 augustus 2022 heeft de rechtbank deze termijn met zes weken verlengd.
Nader standpunt van het Uwv
3.1.
Naar aanleiding van de tussenuitspraken heeft het Uwv in de zaken van appellanten een aanvullende motivering gegeven. Met betrekking tot appellant heeft het Uwv primair zijn standpunt gehandhaafd dat het recht op een WIA-uitkering niet kan worden vastgesteld en dat daarom dit recht met ingang van 29 september 2015 moet worden ingetrokken. Subsidiair stelt het Uwv zich op het standpunt dat als voor appellant rekening moet worden gehouden met geschatte inkomsten uit werkzaamheden voor de vereniging dit leidt tot de conclusie dat appellant in de periode van 1 oktober 2015 tot en met 31 december 2019 een bedrag van € 38.525,23 teveel aan WIA-uitkering heeft ontvangen. Dit bedrag wordt van hem teruggevorderd door het Uwv.
3.2.
Met betrekking tot appellante heeft het Uwv primair zijn standpunt gehandhaafd dat het recht op een WAO-uitkering van appellante niet kan worden vastgesteld en daarom dit recht met ingang van 29 september 2015 moet worden ingetrokken. Subsidiair stelt het Uwv zich op het standpunt dat als voor appellante rekening moet worden gehouden met geschatte inkomsten uit werkzaamheden voor de vereniging in de periode 1 oktober 2015 tot en met 31 december 2019 dit tot de conclusie leidt dat appellante in die periode een bedrag van € 35.724,98 teveel aan WAO-uitkering heeft ontvangen. Dit bedrag wordt door het Uwv van haar teruggevorderd.
Einduitspraak van de rechtbank
4.1.
De rechtbank heeft vooropgesteld dat zij reeds in haar tussenuitspraak heeft geoordeeld dat het Uwv op basis van de beschikbare stukken gehouden was om in bezwaar (en later in beroep) schattenderwijs vast te stellen of en zo ja, tot welk bedrag, appellant en appellante recht op WIA-uitkering, respectievelijk WAO-uitkering zouden hebben. Reeds hierom kan het Uwv niet volhouden dat het zijn primaire standpunt handhaaft. Daarbij komt dat uit de aanvullende motivering blijkt dat het Uwv wel in staat is gebleken om de inkomsten van appellanten uit hun werkzaamheden voor de vereniging op grond van de door hen overgelegde administratie en overige inkomsten te schatten. Het resultaat van die schatting heeft ertoe geleid dat het recht op WIA-uitkering van appellant en het recht op WAOuitkering van appellante in de aan de orde zijnde periode wél kon worden vastgesteld. Het door het Uwv in de beslissingen op bezwaar gehandhaafde standpunt, dat het recht op uitkering van appellanten niet is vast te stellen en dat dat recht met ingang van 29 september 2015 wordt ingetrokken, kan dus geen stand houden. Datzelfde lot treft de door het Uwv gehandhaafde terugvorderings- en invorderingsbeslissingen.
4.2.
Met betrekking tot het subsidiaire standpunt heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv in de aanvullende motivering in de zaken van appellanten het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek heeft hersteld. In navolging van de tussenuitspraak zijn bij de berekening van de inkomsten alleen die uitgaven meegenomen die onmiskenbaar te relateren zijn aan de vereniging. Uitgaven bij bijvoorbeeld McDonalds, Christine le Duc, supermarkten, Kruidvat en Blokker zijn – zonder nadere bewijsstukken waaruit volgt waarvoor deze uitgaven precies zijn gedaan en in welk kader, welke bewijsstukken ook in beroep ontbreken – niet te relateren aan de vereniging. Deze zijn terecht buiten beschouwing gelaten. Dit geldt ook voor de uitgaven die appellanten hebben gedaan aan autokosten, zoals benzine, omdat – onbetwist – een auto op de balans van de vereniging onder de activa ontbreekt. Aan de andere kant heeft de rechtbank niet de stelling van appellanten gevolgd dat al hun uitgaven ten behoeve van de vereniging zijn gedaan, zodat zij in de van toepassing zijnde perioden geen inkomsten hebben gekregen uit hun werkzaamheden voor de vereniging.
4.3.
De rechtbank heeft appellanten ook niet gevolgd in hun stelling dat ten onrechte de huuruitgaven buiten beschouwing zijn gelaten. In de rapportage van 8 maart 2023 is alsnog de maand juni 2016 meegenomen in de berekening. De overige door appellanten vermelde huuruitgaven waren volgens het Uwv wel meegenomen. Appellanten hebben dit niet meer gemotiveerd betwist.
4.4.
De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door appellanten gestelde uitgaven voor vrijwilligers niet toetsbaar en verifieerbaar zijn vanwege de wisselende gegevens en tegenstrijdige verklaringen van appellanten over de vrijwilligersvergoedingen. Omdat appellanten de geschetste onduidelijkheden niet hebben kunnen wegnemen, hoefden deze gestelde vergoedingen niet mee te worden genomen in de berekening.
4.5.
De rechtbank heeft ook de beroepsgrond dat het Uwv voor het jaar 2019 ten onrechte uitgaat van de door de vereniging behaalde winst verworpen. Bij de berekening is uitgegaan van de inkomsten van appellanten op basis van de door appellanten overgelegde jaarrekening met balans en verlies- en winstrekening. De uit deze stukken volgende winst is vervolgens aan beiden voor de helft toebedeeld.
4.6.
De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat het subsidiaire standpunt van het Uwv in de aanvullende motivering standhoudt. Het Uwv heeft de WIA-uitkering van appellant terecht met ingang van 29 september 2015 herzien. Het Uwv heeft ook terecht de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid van appellante over de periode van 29 september 2015 tot en met 31 december 2019 herbeoordeeld.
4.7.
Met betrekking tot de terugvordering heeft de rechtbank geconstateerd dat appellanten daartegen geen afzonderlijke beroepsgronden hebben ingediend. De rechtbank heeft geen grond gezien om de beslissing van het Uwv om genoemde bedragen van appellanten afzonderlijk terug te vorderen onrechtmatig te achten. Ook is er geen reden om te twijfelen aan de berekening van de hoogte van de terug te vorderen bedragen.
4.8.
Omdat het Uwv na de tussenuitspraak geen nadere besluiten meer heeft genomen over de invordering van de teruggevorderde bedragen betekent dit dat het Uwv nog een nieuwe beslissing moet nemen op de bezwaarschriften van appellanten tegen de jegens hen genomen invorderingsbesluiten.
4.9.
De rechtbank heeft, voor zover van belang, de beroepen van appellanten gegrond verklaard en de bestreden besluiten I en II vernietigd. De rechtbank heeft bepaald dat het recht op WIA-uitkering van appellant over de periode van 29 september 2015 tot en met 31 december 2019 wordt herzien en dat van hem een bedrag van € 38.525,23 wordt teruggevorderd. De rechtbank heeft verder de (fictieve) mate van arbeidsongeschiktheid van appellante over de periode van 29 september 2015 tot en met 31 december 2019 vastgesteld en bepaald dat van appellante een bedrag van € 35.724,89 wordt teruggevorderd.
4.10.
De rechtbank heeft ook bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten 1 en 2 voor zover het betreft de vaststelling van het recht op en de hoogte van de WIA-uitkering van appellant en de WAO-uitkering van appellante en de van hen teruggevorderde bedragen aan WIA- en WAO-uitkering. De rechtbank heeft het Uwv opgedragen om binnen acht weken na de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, na de dag nadat daarop is beslist, een nieuwe beslissing te nemen op de bezwaren van appellanten tegen de primaire besluiten 3 en 6. Tot slot heeft de rechtbank bepalingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en het door appellanten betaalde griffierecht.
Het standpunt van appellanten
5.1.
Appellanten zijn het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij hebben hun standpunt gehandhaafd dat zij hun inlichtingenplicht niet hebben geschonden. Appellanten hebben op verzoek van het Uwv het nodige aan administratieve stukken overgelegd. Zij hebben benadrukt dat zij zich al tientallen jaren inzetten voor de maatschappij en de minder bedeelden in hun wijk. Zij hebben geen winstoogmerk en zijn geen ondernemers. Om die reden kan van hen redelijkerwijs niet worden verwacht dat zij een zeer uitgebreide en gespecificeerde administratie bijhouden. De door hen overgelegde administratie kan als deugdelijk worden gekwalificeerd. Alle gepinde bedragen en de naar de privérekeningnummers overgeboekte bedragen zijn daadwerkelijk gebruikt ten behoeve van de vereniging. Omdat er geen inkomsten uit of in verband met arbeid zijn, is er ook geen sprake van schending van de inlichtingenplicht.
5.2.
Subsidiair stellen appellanten dat het Uwv een onjuiste schatting heeft gemaakt van de inkomsten uit of in verband met arbeid.
5.2.1.
Volgens appellanten kan uit de grootboekmutatiekaarten van 2015 tot en met 2019 worden afgeleid dat alle daarin genoemde uitgaven ten gunste van de vereniging zijn gedaan, en dus niet uitsluitend de uitgaven ten behoeve van de inventaris ( [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ), energie (Nuon en later Essent), water (Vitens), twee telefonie/provider aanbieders (Tmobile en KPN), huur ( [bedrijf 3] , [bedrijf 4] , [bedrijf 5] ), uitgaven voor betalingsverkeer en uitgaven voor boksgala’s. Ook hebben appellanten hun standpunt gehandhaafd dat de inventarisatie van het Uwv enkele onjuistheden bevat ten aanzien van de huuruitgaven.
5.2.2.
Met betrekking tot de vrijwilligersvergoedingen hebben appellanten erop gewezen dat in de jaren 2015, 2016 en 2017 nog niet veel vergoedingen aan vrijwilligers werden uitbetaald. Vanaf eind 2017 zijn er meer vrijwilligers gekomen, omdat er ook meer leden kwamen. Uit de overgelegde agenda’s van de vereniging van 2017, 2018 en 2019 kan worden afgeleid op welke dagen welke vrijwilligers lessen hebben verzorgd. Volgens appellanten is de administratie over de vrijwilligersvergoedingen toetsbaar en verifieerbaar en zijn deze uitgaven ten gunste van de vereniging gedaan. Ter zitting hebben appellanten daaraan toegevoegd dat de rechtbank in (rechtsoverweging 14.1 van) de tussenuitspraak van 25 mei 2022 zonder voorbehoud heeft overwogen dat het Uwv bij zijn nadere besluitvorming uitsluitend posten die direct te relateren zijn aan uitgaven voor de vereniging, zoals bijvoorbeeld de facturen met betrekking tot de aankopen bij [bedrijf 1] en de daar werkzame vrijwilligers, buiten de aan appellanten toe te rekenen inkomsten kunnen worden gelaten. Volgens appellanten stond het de rechtbank niet vrij om in de einduitspraak hierop terug te komen en te oordelen dat de vrijwilligersvergoedingen niet buiten de aan appellanten toe te rekenen inkomsten moeten worden gelaten.
5.3.
Appellanten hebben in hoger beroep twee arresten van het gerechtshof ArnhemLeeuwarden van 23 oktober 2024 overgelegd. [3] Zij zijn bij deze vonnissen veroordeeld voor het opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken aan het Uwv, terwijl zij redelijkerwijs moesten vermoeden dat die gegevens van belang zijn voor de hoogte of de duur van de uitkering. Zij zijn vrijgesproken van het ten laste gelegde ‘genieten van inkomsten uit het verrichten van bestuurswerkzaamheden’. Volgens appellanten volgt uit de (partiële) vrijspraak dat in rechte is komen vast te staan dat zij geen inkomsten hebben genoten en moet deze conclusie worden overgenomen door de bestuursrechter.
5.4.
Tot slot hebben appellanten, naar aanleiding van de tussenuitspraak van de Raad van 18 april 2024 [4] , aangevoerd dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan het Uwv had moeten afzien van de herziening en terugvordering. Volgens appellanten heeft het Uwv na de verhoren in augustus 2019 onnodig lang stilgezeten door pas in december 2019 de besluiten tot intrekking en terugvordering te nemen.
Het standpunt van het Uwv
6. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Daarbij is verwezen naar een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 7 juni 2024. Volgens het Uwv zijn de arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden niet van invloed op de besluiten om de WAO- en WIA-uitkering van appellanten te herzien en gedeeltelijk terug te vorderen. Het Uwv ziet geen aanleiding om af te zien van herziening of terugvordering van de uitkeringen wegens dringende redenen. Daarbij is benadrukt dat de oorzaak van de herziening en terugvordering is gelegen in een schending van de inlichtingenverplichting.

Het oordeel van de Raad

7. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Schending inlichtingenplicht
7.1.
Het oordeel van de rechtbank dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat appellanten hun inlichtingenplicht hebben geschonden, wordt onderschreven. Het had voor appellanten redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat het zijn van bestuurder van een vereniging een omstandigheid is die voor de vaststelling van het recht op of de betaling van de uitkering van belang kan zijn en daarom aan het Uwv had moeten worden gemeld. De door appellanten beklede bestuursfuncties kunnen immers worden gekwalificeerd als in het maatschappelijk verkeer op geld waardeerbare werkzaamheden. De aard en de omvang van deze werkzaamheden en eventueel daaruit genoten inkomsten zijn van belang voor de vaststelling van het recht op en de hoogte of de betaling van de uitkering.
7.2.
Appellanten worden niet gevolgd in hun standpunt dat zij hun inlichtingenplicht niet hebben geschonden, omdat zij op verzoek van het Uwv alsnog op 6 mei 2019 en 17 mei 2019 het nodige aan administratie en stukken aan het Uwv hebben overgelegd en niet van hen verwacht kan worden dat zij een meer gespecificeerde administratie overleggen dan zij hebben gedaan. Het achteraf verstrekken van informatie, betekent niet dat appellanten daarmee aan hun inlichtingenplicht hebben voldaan. Nog daargelaten dat de door appellanten in het kader van het onderzoek overgelegde gegevens zeer gebrekkig waren, wijst de Raad erop dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in zijn arresten van 23 oktober 2024 wettig en overtuigend bewezen heeft geacht dat appellanten opzettelijk hun inlichtingenplicht hebben geschonden door hun werkzaamheden als bestuurder van de vereniging niet te melden aan het Uwv en hen daarvoor een taakstraf heeft opgelegd.
Schatting van de inkomsten
7.3.
Het oordeel van de rechtbank dat het Uwv met de nadere motivering de door de rechtbank geconstateerde gebreken in de besluitvorming heeft hersteld en in de rapporten terecht alleen die uitgaven heeft meegenomen die onmiskenbaar zijn te relateren aan de vereniging, wordt eveneens onderschreven.
7.4.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat uitgaven bij bijvoorbeeld McDonalds, Christine le Duc, supermarkten, Kruidvat en Blokker, zonder nadere bewijsstukken waaruit precies volgt waarvoor die uitgaven zijn gedaan en in welk kader, niet aan de vereniging kunnen worden gerelateerd. Hetzelfde geldt voor de autokosten, zoals benzine, waarbij de rechtbank er terecht op heeft gewezen dat een auto ontbreekt op de balans van de vereniging bij de activa. Uit de door appellanten overgelegde kassabonnen kan niet worden afgeleid of die uitgaven ten behoeve van de vereniging zijn gedaan. Met betrekking tot de huuruitgaven hebben appellanten ook in hoger beroep hun standpunt, dat de huuruitgaven over een aantal maanden ten onrechte buiten beschouwing zijn gelaten, niet onderbouwd. Anders dan appellanten hebben gesteld is het niet aan het Uwv om aan te tonen dat uitgaven niet aan de vereniging kunnen worden gerelateerd, maar is het aan appellanten om aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aan te tonen dat uitgaven wel aan de vereniging kunnen worden gerelateerd.
7.5.
Voorts is in de rapporten van 11 juli 2022 en 27 september 2022 overtuigend gemotiveerd dat, gezien de wisselende gegevens en tegenstrijdige verklaringen over de vrijwilligersvergoedingen, de uitgaven voor de vrijwilligers niet toetsbaar en verifieerbaar zijn. Appellanten hebben geen bewijsstukken, zoals bankafschriften, overgelegd waaruit de betalingen aan vrijwilligers blijken. De door appellanten in beroep overgelegde kwitanties voldoen niet als bewijs daarvoor, omdat deze achteraf kunnen zijn opgemaakt. Dat geldt ook voor de in beroep overgelegde agenda’s. De Raad wijst er daarbij op dat de door appellanten in beroep overgelegde kwitanties van betalingen aan vrijwilligers niet stroken met de overgelegde grootboekmutatiekaarten. De door appellanten overgelegde gegevens met betrekking tot de vrijwilligersvergoedingen zijn dus niet bruikbaar. Daarom kunnen geen vrijwilligersvergoedingen in mindering worden gebracht op de aan appellanten toe te rekenen inkomsten. Dat de vrijwilligersvergoedingen in het jaar 2019 wel in mindering zijn gebracht, leidt niet tot een ander oordeel. In het rapport van 8 maart 2023 is er door het Uwv terecht op gewezen dat voor dit jaar, aan de hand van een jaarrekening met een balans en verlies- en winstrekening, wel op inzichtelijke wijze inzicht is gegeven in de vrijwilligersvergoedingen.
7.6.
Appellanten worden ook niet gevolgd in hun standpunt dat het de rechtbank niet vrijstond om in de einduitspraak met betrekking tot de vrijwilligersvergoedingen terug te komen van haar tussenuitspraak van 25 mei 2022. De rechtbank heeft in (rechtsoverweging 14.1) van die tussenuitspraak niet zo stellig overwogen dat vrijwilligersvergoedingen in mindering moesten worden gebracht op de inkomsten, dat zij in de einduitspraak niet meer mocht oordelen dat het Uwv deze vergoedingen niet hoefde mee te nemen in de berekening.
Arresten gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
7.7.
Aan de vrijspraak van appellanten voor het ‘genieten van inkomsten uit het verrichten van bestuurswerkzaamheden’ heeft het gerechtshof ten grondslag gelegd, samengevat weergegeven, dat het dossier sterke aanwijzingen bevat dat gelden van de vereniging voor andere doeleinden zijn aangewend dan waarvoor deze waren bestemd, maar dat bij gebrek aan nader onderzoek naar de uitgaven, overboekingen en verklaringen het dossier te weinig aanknopingspunten bevat om te kunnen komen tot een bewezen verklaring op dit punt. In de bestuursrechtelijke procedure worden minder strenge eisen gesteld aan het bewijs dan in de strafrechtelijke procedure. Voor de besluiten tot herziening en terugvordering van de WIAuitkering en WAO-uitkering is slechts vereist dat het Uwv aannemelijk maakt dat appellanten, zonder hiervan mededeling te doen aan het Uwv, inkomsten hebben genoten uit bestuurswerkzaamheden. Enige mate van twijfel hoeft daaraan, anders dan in het strafrecht, niet in de weg te staan. Aan die bestuursrechtelijke maatstaf is in het geval van appellanten voldaan.
Dringende reden
7.8.
Bij zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 heeft de Raad zijn uitleg van de dringende reden verruimd. De Raad ziet het begrip dringende reden (voortaan) als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de intrekking en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan.
7.9.
De Raad is van oordeel dat het Uwv geen aanleiding heeft hoeven zien om op grond van een dringende reden geheel of gedeeltelijk van de herziening en terugvordering af te zien. Het Uwv heeft in de situatie van appellanten zowel bij de oorzaak als de gevolgen van de intrekking en terugvordering alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de dringende reden voldoende meegewogen. De oorzaak van de herziening en terugvordering is geheel te wijten aan appellanten omdat zij hun werkzaamheden als bestuurder van de vereniging niet hebben gemeld bij het Uwv en daarmee hun inlichtingenplicht hebben geschonden. Daarbij is van belang dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in zijn arresten van 23 oktober 2024 heeft geoordeeld dat appellanten dit opzettelijk hebben gedaan. Appellanten worden niet gevolgd in hun standpunt dat (ook) het Uwv een aandeel heeft gehad in de herziening en terugvordering vanwege (te) trage besluitvorming, waardoor de herziening en terugvordering nodeloos zijn opgelopen. Anders dan appellanten stellen is er geen sprake van en onnodig lang stilzitten door het Uwv vanwege de periode tussen het gesprek met de inspecteurs van het Uwv in augustus 2019 en de besluitvorming in december 2019. Het ging om een omvangrijk dossier, waarbij na het gesprek met appellanten het onderzoeksrapport nog moest worden opgesteld en vervolgens besluitvorming moest worden voorbereid.

Conclusies en gevolgen

8. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de door de rechtbank bepaalde herziening en terugvordering van de WIA-uitkering van appellant en de door de rechtbank vastgestelde (fictieve) mate van arbeidsongeschiktheid en terugvordering van de WAO-uitkering van appellante, beide over de periode van 29 september 2015 tot en met 31 december 2019, in stand blijft. De Raad wijst er daarbij op dat dit betekent dat het Uwv nog nadere beslissingen op bezwaar dient te nemen op de bezwaren tegen de primaire besluiten 3 en 6.
9. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgen appellanten geen vergoeding van hun proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en S.B. Smit-Colenbrander en S. Wijna als leden, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) D. Semiz

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)

Artikel 36a
1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een beschikking tot toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering en terzake van weigering van een zodanige uitkering, herziet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een dergelijke beschikking of trekt hij die in:
a. (…)
b. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 25, 28 of 80 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering.
2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking als bedoeld in het eerste lid af te zien.
Artikel 44
1. Indien degene, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomen geniet doordat hij arbeid is gaan verrichten, wordt die arbeid gedurende een aaneengesloten tijdvak van vijf jaar niet aangemerkt als arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, en wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt de uitkering:
a. (...)
b. indien het bepaalde onder a niet van toepassing is, uitbetaald tot een bedrag ter grootte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals deze zou zijn vastgesteld, indien die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn.
Artikel 57
1. De uitkering, de loonsuppletie, bedoeld in artikel 65c, en de inkomenssuppletie, bedoeld in artikel 65d, die als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 36a onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.
(…)
6. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Artikel 80
1. Degene, die de wachttijd, bedoeld in artikel 19 doormaakt Pro, dan wel aanspraak maakt op of in het genot is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering. diens wettelijke vertegenwoordiger alsmede de instelling aan welke ingevolge artikel 54 de Pro arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt uitbetaald, zijn verplicht aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden, waarvan het hun redelijkerwijs duidelijk is, dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag, dat daarvan wordt uitbetaald. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.

Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)

Artikel 27

1. De verzekerde die een aanvraag voor een uitkering heeft ingediend of een recht heeft op een uitkering op grond van deze wet en de instelling waaraan op grond van artikel 71 een Pro uitkering op grond van deze wet wordt uitbetaald, verstrekt op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of de betaling van de uitkering, waaronder mede is begrepen informatie in het kader van re-integratie, aan het UWV. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het UWV kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.

Artikel 76

1. Het UWV herziet beschikkingen op grond van deze wet of trekt dergelijke beschikkingen in, indien:
a. als gevolg van het niet of niet volledig nakomen van de artikelen 27 tot en met 32 en de daarop berustende bepalingen het recht op een uitkering op grond van deze wet niet of niet meer kan worden vastgesteld of ten onrechte is vastgesteld of de hoogte van de uitkering ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld;
(…)
3. Indien daarvoor dringende redenen zijn, kan het UWV geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien.

Artikel 77

1. Een uitkering die op grond van deze wet alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald en hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 76 door Pro het UWV onverschuldigd is betaald of verstrekt wordt door het UWV teruggevorderd.
(…)
6. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Voetnoten

1.CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 18 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1595.
3.Parketnummers: 21-002896-23 en 21-002897-23.
4.CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.