ECLI:NL:CRVB:2026:405
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand en tijdelijke ontheffing arbeidsverplichtingen
Appellante, die sinds eind 2022 in Nederland verblijft na remigratie uit Marokko, verzocht het college om bijzondere bijstand voor stoffering en woninginrichting en om permanente ontheffing van arbeidsverplichtingen op grond van vermeende volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.
Het college wees de bijzondere bijstand af omdat de kosten als algemeen noodzakelijke kosten worden beschouwd die in principe uit het inkomen moeten worden voldaan, tenzij bijzondere omstandigheden aantoonbaar zijn. Appellante kon niet aannemelijk maken dat zij niet had kunnen reserveren of gespreid betalen, en haar verhuizing werd als een keuze met voorzienbare gevolgen beoordeeld.
Voor de permanente ontheffing van arbeidsverplichtingen moest appellante een begin van bewijs leveren dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit bewijs werd niet geleverd; de psychische klachten werden als sociaalmaatschappelijk van aard beoordeeld en niet als medisch geïndiceerd voor GGZ-behandeling. De tijdelijke ontheffing werd daarom terecht voor een beperkte periode toegekend.
De rechtbanken wezen de beroepen af en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraken. De hoger beroepen slagen niet, waardoor de afwijzing van bijzondere bijstand en de tijdelijke ontheffing in stand blijven. Appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand en wijst het verzoek om permanente ontheffing van arbeidsverplichtingen af wegens onvoldoende bewijs.