Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:402

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
23/1876 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 PWArt. 18a PWArt. 54 PWArt. 58 PWArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing hoger beroep tegen intrekking en terugvordering bijstand wegens schending medewerkingsverplichting

Appellant ontving bijstand sinds 2011 en werd vanaf 2015 als voorzitter van een stichting ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Het college stelde vast dat appellant zijn medewerkingsverplichting schond door deze inschrijving en werkzaamheden niet te melden, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Het college trok de bijstand in en vorderde de kosten terug, legde tevens een boete op wegens schending van de inlichtingenverplichting.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen intrekking en terugvordering niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen de boete af. In hoger beroep oordeelt de Raad dat het opvragen van bankafschriften proportioneel en subsidiariteit voldoet. De schending van de medewerkingsplicht is objectief vastgesteld en appellant kon het recht op bijstand niet aantonen, ook niet schattenderwijs.

De Raad wijst het beroep tegen intrekking en terugvordering af, maar verlaagt de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn en kent appellant een schadevergoeding toe voor de termijnoverschrijding in de procedure. De overige beroepen worden afgewezen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Uitkomst: Intrekking en terugvordering bijstand bevestigd, boete verlaagd wegens termijnoverschrijding, schadevergoeding toegekend.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
23/1876 PW, 23/1877 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 mei 2023, 21/3224 en 22/3506 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas (college)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 31 maart 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over een intrekking en terugvordering van bijstand en een boete. Volgens het college heeft appellant de inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van de inschrijving als voorzitter van de Stichting [naam] (stichting) bij de Kamer van Koophandel (KvK) en de op geld waardeerbare werkzaamheden die appellant voor de stichting heeft verricht. Daardoor is het recht op bijstand niet vast te stellen. Volgens appellant is het recht op bijstand wel, in ieder geval schattenderwijs, vast te stellen. Appellant krijgt daarin geen gelijk. Verder dient de boete volgens appellant te worden verlaagd omdat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Appellant krijgt daarin ook geen gelijk. Wel wordt de boete verlaagd wegens overschrijding van de redelijke termijn. Ook krijgt appellant een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure over de intrekking en terugvordering.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Z.M. Nasir, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft ter zitting een verzoek ingediend om vergoeding van schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In verband met dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 17 februari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Nasir. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Boere.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontvangt vanaf 21 oktober 2011 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW), aanvankelijk naar de norm voor een alleenstaande en ten tijde in geding naar de norm voor gehuwden.
1.2.
Naar aanleiding van een interne melding van een medewerker van de IJsselgemeenten op 3 december 2020 dat appellant staat ingeschreven als voorzitter van een stichting heeft een toezichthouder van de IJsselgemeenten een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de toezichthouder administratief onderzoek verricht, bestaande uit een dossier- en bestandsonderzoek. Daaruit is onder meer gebleken dat appellant sinds 9 april 2015 in de registers van de KvK als voorzitter van de stichting staat ingeschreven. Uit de statuten volgt dat de stichting aan bestuurders een beloning en/of een onkostenvergoeding kan toekennen. Op 22 december 2020 heeft appellant een verklaring afgelegd over zijn betrokkenheid bij de stichting. Ook zijn gegevens bij appellant opgevraagd, waaronder de boekhouding van de stichting en bankafschriften over de periode vanaf 9 april 2015 van zowel de privérekening van appellant als de zakelijke rekening van de stichting. Appellant heeft bankafschriften van zijn privérekening en de rekening van de stichting vanaf 2015 overgelegd. De boekhouding van de stichting is niet overgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 22 december 2020.
1.3.
Op basis van de resultaten van dit onderzoek heeft het college met een besluit van 22 december 2020 de bijstand van appellant vanaf 9 april 2015 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 9 april 2015 tot en met 30 november 2020 tot een bedrag van € 83.539,09 van appellant teruggevorderd. Ook heeft het college de bijstand per 22 december 2020 beëindigd.
1.4.
Met een besluit van 23 maart 2021 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 22 december 2020 gegrond verklaard, in die zin dat de bijstand wordt ingetrokken over de periode van 5 april 2015 tot en met 31 december 2016 en dat de terugvordering dienovereenkomstig wordt verlaagd naar € 24.924,17. Het college heeft aan de besluitvorming het volgende ten grondslag gelegd. Appellant heeft de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van de inschrijving van de stichting bij de KvK en de op geld waardeerbare werkzaamheden die hij voor de stichting heeft verricht. Ook heeft appellant geen deugdelijke en verifieerbare administratie overgelegd van de stichting en van de met zijn werkzaamheden voor de stichting al dan niet gegenereerde inkomsten. Hierbij is van belang dat de stichting aan bestuurders een beloning en/of een onkostenvergoeding kan toekennen. De verklaring van appellant over zijn activiteiten voor de stichting in 2015 en 2016 is onvoldoende concreet en uit de bankafschriften van de stichting wordt de financiële betrokkenheid van appellant bij de stichting niet duidelijk. Daardoor is het recht op bijstand niet vast te stellen, ook niet schattenderwijs.
1.5.
Met een besluit van 15 juli 2021 (bestreden besluit 2) heeft het college bestreden besluit 1 gecorrigeerd omdat in dat besluit een verschrijving staat. De daarin genoemde datum van 5 april 2015 moet 9 april 2015 zijn.
1.6.
Met een besluit van 4 januari 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 29 april 2022 (bestreden besluit 3), heeft het college aan appellant een boete opgelegd van € 935,76 wegens schending van de inlichtingenverplichting.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten 2 en 3 ongegrond verklaard en daarmee deze besluiten in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens voor zover daarbij de beroepen tegen de bestreden besluiten 2 en 3 ongegrond zijn verklaard. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de intrekking, de terugvordering en de boete in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep tegen de intrekking en de terugvordering niet slaagt. Het hoger beroep tegen de boete slaagt gedeeltelijk, in die zin dat de Raad de boete in verband met de overschrijding van de redelijke termijn verlaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en verdragsbepalingen die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Bankafschriften
4.1.
Appellant heeft allereerst aangevoerd dat het over een lange periode opvragen van bankafschriften en de daarmee gemaakte inbreuk op het recht op privacy van appellant in de gegeven omstandigheden niet in een redelijke verhouding stond tot het daarmee te dienen doel. Dat onderzoeksmiddel voldeed dus niet aan het vereiste van proportionaliteit. Het voldeed ook niet aan het vereiste van subsidiariteit, aangezien het mogelijk was een lichter onderzoeksmiddel in te zetten. De uit de bankafschriften verkregen gegevens moeten daarom worden aangemerkt als onrechtmatig verkregen bewijs en worden uitgesloten als bewijs. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.1.1.
De bankafschriften van de privérekening van appellant liggen niet aan de besluitvorming ten grondslag. Omdat deze afschriften niet als bewijs zijn gebruikt hoeft de grond in zoverre niet te worden besproken.
4.1.2.
Voor zover de grond ziet op het opvragen van bankafschriften van de stichting bij appellant laat de Raad uitdrukkelijk in het midden of het opvragen van de bankafschriften van de stichting waarvan appellant voorzitter is, een inbreuk is op het in artikel 8 van Pro het EVRM gewaarborgde recht op respect voor het privéleven van appellant, omdat ook als dat zo is, de beroepsgrond faalt op grond van het volgende.
4.1.3.
Het college is bevoegd om onderzoek te doen naar de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens en naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening of de voortzetting van bijstand. Dat volgt uit artikel 53a van de PW.
4.1.4.
Niet in geschil is dat de in artikel 53a van de PW vermelde onderzoeksbevoegdheid in dit geval een toereikende wettelijke grondslag vormt, in de zin van artikel 8, tweede lid, van het EVRM, voor het opvragen van bankafschriften. Het college heeft de bankafschriften van de stichting opgevraagd om onderzoek te verrichten naar het recht op bijstand van appellant. Dit kan worden gezien als het behartigen van het belang van het economisch welzijn van Nederland, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM, omdat daaronder mede wordt begrepen het tegengaan van misbruik en fraude van sociale uitkeringen. Dit is daarom een gerechtvaardigd doel in de zin van die bepaling. De Raad heeft dit eerder in andere uitspraken tot uitdrukking gebracht. [1]
4.1.5.
De bijstandverlenende instantie kan in het kader van een gericht onderzoek naar de financiële situatie van de betrokkene zo nodig inzage verlangen in de bankafschriften over een verder in het verleden liggende periode dan de laatste drie maanden. Dit is het geval indien redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid en volledigheid van de door de betrokkene over zijn financiële situatie verstrekte inlichtingen, waardoor twijfel bestaat over de rechtmatigheid van de verleende bijstand. Dit is vaste rechtspraak. [2]
4.1.6.
Het college heeft bankafschriften over de periode vanaf 9 april 2015 opgevraagd met het doel om vast te stellen of appellant nog recht had op bijstand. Gelet op de inschrijving van appellant bij de KvK op 9 april 2015 bestond daartoe alle aanleiding. Het opvragen van de bankafschriften vanaf die datum en de daarmee gestelde inbreuk op het recht op respect op het privéleven van appellant stond dan ook in een redelijke verhouding tot het daarmee te dienen doel. Dit onderzoeksmiddel voldeed dus aan het vereiste van proportionaliteit.
4.1.7.
Het college heeft appellant verzocht de bankafschriften te verstrekken, waarna appellant deze heeft overgelegd. Niet valt in te zien dat het college met een ander, lichter middel had kunnen volstaan. Het opvragen van de bankafschriften van de stichting was daarom een onderzoeksmiddel dat ook voldeed aan het vereiste van subsidiariteit.
4.1.8.
Gelet op wat onder 4.1.2 tot en met 4.1.7 is overwogen zou sprake zijn van een gerechtvaardigde inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van appellant als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM als die inbreuk zou bestaan en moeten de uit de bankafschriften verkregen gegevens niet aangemerkt worden als onrechtmatig verkregen bewijs. De bankafschriften van de stichting worden daarom niet uitgesloten als bewijs.
Intrekking en terugvordering (23/1876)
4.2.
De te beoordelen periode loopt van 9 april 2015 tot en met 31 december 2016, de periode waarover de bijstand is ingetrokken en teruggevorderd.
4.3.
Intrekking is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Deze bewijslast brengt in dit geval met zich dat het college aannemelijk moet maken dat, en in welk opzicht appellant in de te beoordelen periode de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand over die periode niet kan worden vastgesteld.
4.4.
Het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden kan voor het recht op bijstand van belang zijn. Dit hangt niet af van de bedoeling waarmee die werkzaamheden worden verricht. Het maakt ook niet uit of uit die werkzaamheden inkomsten worden genoten. Voor het recht op bijstand moet namelijk niet alleen rekening worden gehouden met het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook met het inkomen waarover de betrokkene redelijkerwijs kan beschikken. Dit volgt uit artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 32, eerste lid, van de PW. Het gaat om werkzaamheden waar gewoonlijk een beloning tegenover staat of waarvoor de betrokkene redelijkerwijs een beloning kan bedingen. Dit is vaste rechtspraak. [3] Deze rechtspraak geldt ook voor werkzaamheden die worden verricht voor een stichting. [4] Daarbij komt in dit geval dat de stichting appellant als bestuurder een beloning en/of onkostenvergoeding kon toekennen.
4.5.
Op 3 maart 2021 heeft appellant een overzicht overgelegd van de activiteiten die hij in 2015 en 2016 voor de stichting heeft verricht, waaronder het deelnemen aan vergaderingen en het organiseren en bijwonen van bijeenkomsten. Gelet op de aard van deze activiteiten moeten deze activiteiten worden aangemerkt als op geld waardeerbare werkzaamheden als bedoeld onder 4.4.
4.6.
De inschrijving van de stichting bij de KvK en het verrichten van werkzaamheden voor de stichting zijn omstandigheden die van belang kunnen zijn voor het recht op bijstand. Daarvan had appellant dus melding moeten maken bij het college. Niet in geschil is dat appellant dat niet heeft gedaan.
4.7.
Appellant heeft aangevoerd dat hij de op grond van artikel 17, eerste lid, van de PW op hem rustende inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, omdat het hem niet redelijkerwijs duidelijk was dat hij de inschrijving en zijn werkzaamheden had moeten melden. Daartoe heeft appellant naar voren gebracht dat hij destijds net in Nederland was, dat hij geen kwade intenties had, dat hij onkundig is en een beperkt doenvermogen heeft, dat het om een ideële stichting gaat en dat hij geen geld heeft ontvangen voor zijn activiteiten. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.7.1.
De in artikel 17, eerste lid, van de PW neergelegde verplichting is een objectief geformuleerde verplichting, waarbij verwijtbaarheid geen rol speelt. Beoordeeld moet worden of appellant de hier aan de orde zijnde inlichtingen had moeten verstrekken en dit heeft nagelaten. Dit laatste is, zoals onder 4.6 is vastgesteld, het geval. Wat er ook zij van de door appellant genoemde omstandigheden, het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de inschrijving van de stichting bij de KvK en zijn werkzaamheden voor de stichting van invloed konden zijn op het recht op bijstand en dus gemeld hadden moeten worden. De Raad merkt hierbij nog op dat ook al gaat het om een ideële stichting, toch aan de bestuurders beloningen en/of onkostenvergoedingen toegekend konden worden.
4.8.
Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.
4.9.
Indien na een schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokkene gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is de bijstandverlenende instantie gehouden om, indien mogelijk, schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand heeft, op basis van de vaststaande feiten. Het eventuele nadeel voor de betrokkene dat voortvloeit uit de resterende onzekerheden, komt daarbij wegens schending van de inlichtingenverplichting voor zijn rekening. De Raad heeft eerder in andere uitspraken in vergelijkbare zin geoordeeld. [5]
4.10.
Appellant heeft aangevoerd dat hij uit zijn werkzaamheden als voorzitter van de stichting geen inkomsten heeft ontvangen en dat op grond van het door hem op 31 maart 2021 verstrekte overzicht van activiteiten het recht op bijstand schattenderwijs kan worden vastgesteld, in die zin dat hij in de te beoordelen periode volledig recht op bijstand had. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.10.1.
Niet in geschil is dat appellant geen administratie heeft bijgehouden van zijn werkzaamheden voor de stichting. Ook is geen boekhouding dan wel financiële administratie van de stichting overgelegd. Door het ontbreken daarvan blijft onduidelijk wat de omvang van de werkzaamheden van appellant is geweest en hoeveel inkomsten appellant daaruit heeft ontvangen of had kunnen ontvangen.
4.10.2.
Anders dan appellant aanvoert, blijkt uit het achteraf door hem opgestelde overzicht niet dat er geen sprake is geweest van (mogelijke) inkomsten. In het overzicht wordt slechts gemeld dat de stichting in 2015 en 2016 acht vergaderingen van ongeveer een uur heeft gehouden en vijf bijeenkomsten alsmede een voetbalwedstijd heeft georganiseerd die één tot twee uur duurden. Dit overzicht is niet onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens, zodat hieraan niet de betekenis kan worden toegekend die appellant wenst.
4.10.3.
Bovendien kan uit de bankafschriften van de stichting, alleen al op grond van de hoogte van de daarin bijgeschreven en opgenomen bedragen, afgeleid worden dat de activiteiten van de stichting uit meer bestonden dan enkel het houden van vergaderingen en bijeenkomsten. Niet duidelijk is geworden wat de rol van appellant was bij de activiteiten die uit de bankafschriften van de stichting naar voren komen. Daarvoor is van belang dat de bankafschriften zien op de periode vanaf november 2015 en dus niet de gehele te beoordelen periode bestrijken. Verder volgt uit de bankafschriften dat regelmatig grote bedragen, namelijk tot een hoogte van € 2.000,-, afkomstig van Google Ireland Limited en de Federatie van Somalische Associaties in Nederland zijn bijgeschreven, die kort daarna contant zijn opgenomen. Onduidelijk is door wie en hoe deze contante bedragen zijn besteed. Appellant heeft daarnaast geen concrete, objectieve gegevens verstrekt aan de hand waarvan de omvang van de op geld waardeerbare werkzaamheden en de inkomsten die daarmee zijn of konden verworven bij benadering kan worden vastgesteld. Dit betekent dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het recht op bijstand in de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld, ook niet schattenderwijs.
4.11.
Nu als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in welke mate appellant in de te beoordelen periode verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden, was het college op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de PW verplicht de bijstand van appellant over de periode van 9 april 2015 tot en met 31 december 2016 in te trekken en op grond van artikel 58, eerste lid, van de PW over die periode terug te vorderen.
Evenredigheidsbeginsel
4.12.
Appellant heeft verder een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel. Volgens appellant pakt de gebonden bevoegdheid van de intrekking en terugvordering onevenredig uit in situaties als die van appellant, waarbij geen opzet speelt maar onhandigheid. Daarbij heeft hij onder meer gewezen op de veranderde tijdsgeest, de knellende wetgeving en nieuwe wetgeving. De beroepsgrond dat de intrekking en terugvordering onevenredig belastend zijn, slaagt niet.
4.12.1.
Artikel 54, derde lid, eerste volzin van de PW en artikel 58, eerste lid, van de PW hebben een verplichtend karakter. Daarom is er in beginsel geen ruimte voor toetsing van het daarop gebaseerde besluit aan het evenredigheidsbeginsel. Uit het toetsingsverbod van artikel 120 van Pro de Grondwet volgt dat de rechter een bepaling van een wet in formele zin, zoals de PW, niet mag toetsen aan de Grondwet en ook niet aan algemene rechtsbeginselen. Dit brengt mee dat de rechter niet mag oordelen over de belangenafweging die de wetgever heeft verricht of geacht moet worden te hebben verricht bij de totstandkoming van die wettelijke bepaling. Als zich bijzondere omstandigheden voordoen waarmee de wetgever in zijn afweging geen rekening heeft gehouden, kan aanleiding bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval als die bijzondere omstandigheden de toepassing van die bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Dit is vaste rechtspraak. [6]
4.12.2.
De door appellant gestelde omstandigheden brengen niet mee dat toepassing van de wettelijke bepalingen zozeer in strijd zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Er is geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat het verplichtende karakter van de wettelijke bepalingen over de intrekking en terugvordering gaat verdwijnen uit de wet. De vraag of die omstandigheden wel of niet (volledig) door de wetgever zijn verdisconteerd, hoeft daarom niet te worden beantwoord. De omstandigheden die appellant in dit kader heeft aangevoerd zijn geen concrete bijzondere omstandigheden die maken dat de betreffende wettelijke bepalingen in zijn situatie buiten toepassing moeten blijven.
Dringende redenen
4.13.
Appellant heeft ook aangevoerd dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. Daartoe heeft appellant het volgende naar voren gebracht. De oorzaak van de terugvordering is gelegen in de onder 4.6 genoemde omstandigheden, met name zijn onkundigheid en beperkte doenvermogen. Het gevolg van de terugvordering is dat hij door de hoge schuld jarenlang met zijn gezin moet rondkomen van een inkomen op het bestaansminimum. Daardoor is sprake van een uitzichtloze situatie, wat invaliderend werkt. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
4.13.1.
Het college is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de PW. Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de PW.
4.13.2.
Zoals de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 [7] tot uitdrukking heeft gebracht moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
4.13.3.
Op grond van wat appellant naar voren heeft gebracht heeft het college bij afweging van de betrokken belangen geen dringende redenen hoeven aannemen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het besluit om niet van terugvordering af te zien getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. Vastgesteld wordt dat de terugvordering niet is ontstaan, of is opgelopen door toedoen van het college. De terugvordering over de te beoordelen periode is namelijk het gevolg van het feit dat appellant over die periode de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de inschrijving van de stichting waarvan hij voorzitter was bij de KvK en de daarvoor verrichte werkzaamheden. Dat appellant onkundig was en een beperkt doenvermogen had wordt weersproken door het feit dat appellant journalist is en bovendien in staat is gebleken om een stichting op te richten en zich per 9 april 2015 als voorzitter van de stichting in te schrijven bij de KvK. Verder heeft appellant met de door hem aangevoerde nadelige gevolgen niet aannemelijk gemaakt dat de terugvordering tot ernstige financiële gevolgen voor hem heeft geleid. Hierbij komt dat appellant bij de invordering als schuldenaar de bescherming geniet van de regels over de beslagvrije voet die zijn neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Bovendien heeft het college ter zitting toegelicht dat het college over een kwijtscheldingsmogelijkheid beschikt. Appellant heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de terugvordering voor hem onnodig nadelige gevolgen oplevert.
Boete (23/1877)
4.14.
Appellant heeft zich allereerst op standpunt gesteld dat hij niet over het volledige boetedossier beschikte, omdat het intrekkings- en terugvorderingsdossier en het boetedossier afzonderlijke dossiers betreffen. Volgens appellant heeft de rechtbank in de beroepsprocedure tegen het boetebesluit het procesdossier van de intrekkings- en terugvorderingsprocedure ten onrechte gebruikt als dragend bewijs voor de boete. De Raad begrijpt dit standpunt zo dat appellant aanvoert dat hij door deze gang van zaken in de boeteprocedure in zijn verdediging is geschaad. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.14.1.
Niet in geschil is dat het college appellant met een brief van 26 april 2021 op de hoogte heeft gebracht van het voornemen hem een boete op te leggen wegens schending van de inlichtingenverplichting en van de samengevatte feitelijke grondslag daarvan, onder verwijzing naar het intrekkingsbesluit van 22 december 2020. Appellant heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid hierop te reageren. In het besluit tot oplegging van de boete van 21 oktober 2022 is verwezen naar de brief van 26 april 2021. Appellant beschikte in de bezwaarprocedure tegen de boete over zowel het intrekkings- en terugvorderingsdossier als het boetedossier en over de beslissing op bezwaar tegen de intrekking en terugvordering. In de beslissing op bezwaar tegen de boete is de feitelijke grondslag van de boete opnieuw uiteengezet. Het moet voor appellant duidelijk zijn geweest op welke feiten de boete berustte. Hierdoor was ten tijde van bestreden besluit 3 sprake van voldoende feitelijke grondslag voor de boete. Vervolgens zijn de beroepen tegen de bestreden besluiten over de intrekking, terugvordering en de boete door de rechtbank en de Raad gelijktijdig behandeld, waarbij de beide dossiers volledig zijn betrokken en appellant de hele feitelijke grondslag kon bestrijden, wat hij ook gedaan heeft. Gelet op deze gang van zaken is appellant in deze concrete situatie in beroep en hoger beroep materieel niet in zijn verdediging geschaad.
4.15.
Het college is bij de vaststelling van de boete uitgegaan van normale verwijtbaarheid. Daarna is de boete vastgesteld op de maximale (strafrechtelijke) boete van € 5.800,-, waarna de boete wegens de lange afhandelingsduur is verlaagd met 50% tot een bedrag van € 2.900,-. Vervolgens is de boete op grond van de draagkracht van appellant op een bedrag van € 935,76 vastgesteld.
4.16.
Appellant heeft aangevoerd dat de boete op grond van verminderde verwijtbaarheid nog lager vastgesteld had moeten worden. Ter zitting heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat daarvoor aanleiding bestaat gelet op de onder 4.7 genoemde omstandigheden. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
4.16.1.
Met de door appellant genoemde omstandigheden heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat aanleiding bestaat om in zijn situatie verminderde verwijtbaarheid aan te nemen. Zoals onder 4.13.3 al is overwogen, wordt de stelling van appellant dat hij onkundig was en beperkt doenvermogen had weersproken door de feiten, nog daargelaten of onkunde en een beperkt doenvermogen op zichzelf al leidt tot verminderde verwijtbaarheid bij het niet nakomen van de inlichtingenverplichting.
4.17.
Appellant heeft er verder op gewezen dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM is overschreden. Dit leidt wel tot een verdere matiging van de boete. Hiervoor is het volgende van betekenis.
4.17.1.
Een rechterlijke procedure moet binnen een redelijke termijn worden afgerond. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. [8] De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.
4.17.2.
De procedure heeft vanaf de datum van het kenbaar maken aan appellant van het voornemen tot boeteoplegging op 26 april 2021 tot de datum van deze uitspraak meer dan vierenhalf jaar en minder dan vijf jaar geduurd. Bij een overschrijding van de redelijke termijn in een boeteprocedure wordt per half jaar overschrijding de boete met 5% verlaagd. [9] In dit geval moet de boete dus met 10% worden verlaagd. De boete moet daarom worden vastgesteld op een bedrag van 0,90 × € 935,76 = € 842,18. Een boete van € 842,18 is passend en geboden.
Verzoek schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
5. Appellant heeft tot slot verzocht om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM.
5.1.
Voor zover de redelijke termijn is overschreden in de procedure over de boete heeft dit geleid tot matiging van de boete zoals overwogen onder 4.17.2. Dat betekent dat alleen nog moet worden beoordeeld of appellant recht heeft op een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure over de intrekking en terugvordering. Dat is het geval.
5.2.
Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tegen het intrekkings- en terugvorderingsbesluit door het college op 30 december 2020 tot aan deze uitspraak zijn vijf jaar en drie maanden verstreken. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellant zijn aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met bijna anderhalf jaar overschreden. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. [10] De overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden in de rechterlijke fase. Dat betekent dat de Staat zal worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan appellant van € 1.500,-.

Conclusie en gevolgen

6. Het hoger beroep slaagt gedeeltelijk. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd voor zover daarbij het beroep tegen bestreden besluit 3 ongegrond is verklaard. De Raad zal het beroep tegen bestreden besluit 3 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen voor zover het de hoogte van de boete betreft. Ook zal de Raad zelf in de zaak voorzien, door het besluit van 4 januari 2022 in zoverre te herroepen en het bedrag van de boete zelf vast te stellen op € 842,18. Voor het overige wordt de aangevallen uitspraak bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de intrekking en terugvordering in stand blijven.
7. Appellant krijgt een schadevergoeding van € 1.500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.
8. Appellant krijgt ook een vergoeding voor zijn proceskosten voor zover deze betrekking hebben op het verzoek tot vergoeding van schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het verzoek, met wegingsfactor 0,5). De Staat wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 29 april 2022 ongegrond is verklaard;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 29 april 2022 gegrond en vernietigt dit besluit voor zover het de hoogte van de boete betreft;
  • herroept het besluit van 4 januari 2022 in zoverre, stelt de boete vast op een bedrag van € 842,18 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 29 april 2022;
  • bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige voor zover aangevochten;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.500,-;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en D.H. Harbers als leden, in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2026.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) J. Bonnema
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en verdragsbepalingen
Participatiewet
Artikel 17, eerste lid
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 18a, eerste lid
Het college legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, of 36b, tweede lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Artikel 54, derde lid
Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
Artikel 58, eerste lid
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Artikel 58, achtste lid
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Artikel 6, eerste lid
Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.
Artikel 8, eerste en tweede lid
Een ieder heeft recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2644.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2333.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 november 2020, ECLI:CRVB:2020:3020.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT5852.
6.Zie de uitspraken van 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2192, ECLI:NL:CRVB:2024:2193, ECLI:NL:CRVB:2024:2194, ECLI:NL:CRVB:2024:2195 en de uitspraak van 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3657.
10.Uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.