ECLI:NL:CRVB:2026:373

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
23/1171 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vergoeding verletkosten bij WIA-uitkering na vaststellingsovereenkomst

Appellant diende een WIA-uitkeringsaanvraag in en verzocht het Uwv om vergoeding van verletkosten voor bezoeken aan een verzekeringsarts op 9 mei 2019 en 8 april 2021. Het Uwv kende alleen de reiskosten toe en wees de verletkosten af wegens onvoldoende bewijs van inkomstenderving.

De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde dat de kosten voor het bezoek in 2019 onder een vaststellingsovereenkomst vielen die finale kwijting gaf over de periode vóór 1 mei 2020. Voor het bezoek in 2021 was geen sprake van onrechtmatig handelen en ontbrak bewijs van schade.

Appellant voerde aan dat de vaststellingsovereenkomst niet bindend was en dat hij als zelfstandige ondernemer recht had op vergoeding van alle tijdsbesteding. De Raad oordeelde echter dat de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig is en dat het verzoek voor 2019 daardoor niet inhoudelijk beoordeeld kan worden.

Voor de kosten na 1 mei 2020 oordeelde de Raad dat geen sprake is van schade door onrechtmatig besluit en dat appellant zijn schade niet heeft onderbouwd. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van verletkosten wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

23/1171 WIA
Datum uitspraak: 2 april 2026
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 7 april 2023, 21/3232 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De enkelvoudige kamer van de Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 maart 2025. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken 23/256 WIA, 23/347 ZW, 23/348 ZW, 23/349 ZW, 23/350 ZW, 23/351 ZW, 23/352 WW en 23/1259 WIA. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.
De Raad heeft in de zaken 23/347 ZW en 23/348 ZW, uitspraak gedaan. [1]
De Raad heeft het onderzoek in de overige zaken heropend en verwezen naar de meervoudige kamer.
De meervoudige kamer van de Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 oktober 2025, gelijktijdig met de zaken 23/256 WIA, 23/349 ZW, 23/350 ZW, 23/351 ZW, 23/352 WW en 23/1259 WIA. In die zaken worden afzonderlijke uitspraken gedaan. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. De Jong.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellant heeft op 3 december 2018 een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend.
1.2.
Op 8 september 2021 heeft appellant het Uwv verzocht om vergoeding van de door hem gemaakte verletkosten voor het bijwonen van de spreekuren bij de verzekeringsarts op 9 mei 2020 (lees: 9 mei 2019) en op 8 april 2021. Daarnaast heeft appellant verzocht om vergoeding van zijn reiskosten voor het bezoek aan het spreekuur op 8 april 2021.
1.3.
Bij besluit van 17 september 2021 heeft het Uwv het verzoek om schadevergoeding toegewezen voor zover het de gevraagde reiskosten betreft. Voor zover het de verletkosten betreft heeft het Uwv het verzoek afgewezen, omdat appellant niet heeft aangetoond dat sprake is geweest van inkomstenderving. Het enkele feit dat appellant als zelfstandige werkzaam is heeft het Uwv hiertoe onvoldoende geacht.
1.4.
Op 18 september 2021 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 september 2021. Het Uwv heeft dit bezwaar doorgezonden naar de rechtbank met het verzoek het in behandeling te nemen als een verzoek om schadevergoeding.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van schade als gevolg van een onrechtmatig besluit of onrechtmatig handelen ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit geen sprake is. Daargelaten dat er voor het onderzoek in het kader van een WIA-aanvraag van appellant de verplichting bestaat voor een onderzoek door een verzekeringsarts, kan appellant niet via de weg van artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht de door hem in die fase gemaakte kosten vergoed krijgen. Die kosten kunnen immers nooit het gevolg zijn van een onrechtmatig besluit. Ook overigens is het de rechtbank niet gebleken dat appellant vanwege de bezoeken aan de verzekeringsarts zijn advieswerkzaamheden niet heeft kunnen verrichten. De door appellant overgelegde vijf nota’s van juli en augustus 2018 en augustus en september 2022, onderbouwen onvoldoende dat hij in de periode waar het hier om gaat een volledige dagtaak had aan zijn advieswerkzaamheden. Gezien de (geringe) werktijd per dag had appellant nog voldoende tijd over voor andere activiteiten, waaronder het bezoeken van een verzekeringsarts. De rechtbank ziet ook in het arrest van de Hoge Raad van 30 september 2022, [2] waarnaar appellant heeft verwezen, geen aanleiding schadevergoeding toe te kennen. Anders dan in dat arrest is niet aannemelijk geworden dat appellant, gelet op het aantal door hem gewerkte uren, omzet heeft gemist. Appellant heeft geen facturen overgelegd over de jaren 2019 en 2021.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens hem komen de verletkosten voor vergoeding in aanmerking. Appellant heeft daartoe het volgende aangevoerd. In de tussen appellant en het Uwv op 15 mei 2020 gesloten vaststellingsovereenkomst is over de verletkosten niets afgesproken. Zou die vaststellingsovereenkomst in de weg staan aan beoordeling van het verzoek om verletkosten, dan is appellant van mening dat hij daaraan niet gebonden is omdat die vaststellingsovereenkomst in strijd komt met het recht. Er is verder sprake van een verzoek om vergoeding van de verletkosten volgend uit een bezwaarprocedure, niet uit een aanvraag om een WIA-uitkering. De rechtbank heeft miskend dat appellant in de betreffende periode geen uitkeringen ontving van het Uwv en feitelijk zonder inkomen zat. Appellant is (onbetwist) zelfstandig ondernemer en werkte in de betreffende periode op basis van no cure no pay. Dat de rechtbank in zijn uitspraak de nota’s gebruikt zegt daarom niets over de werkzaamheden die appellant daadwerkelijk heeft verricht. De Hoge Raad heeft in zijn arrest in dit verband vastgesteld dat alle tijdsbesteding als zelfstandig ondernemer in beginsel voor vergoeding in aanmerking komt. De Hoge Raad heeft geen eis gesteld over de omvang van de werkzaamheden uit eigen ondernemerschap.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 30 maart 2023 [3] verzocht het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk te verklaren in verband met de tussen het Uwv en appellant op 15 mei 2020 gesloten vaststellingsovereenkomst.

Het oordeel van de Raad

4.1.
Met betrekking tot het verzoek om vergoeding van de kosten van bezoeken aan een verzekeringsarts op 9 mei 2019 oordeelt de Raad als volgt. In de tussen het Uwv en appellant gesloten vaststellingsovereenkomst is onder meer de afspraak opgenomen dat met die overeenkomst sprake is van finale kwijting voor wat betreft de periode vóór 1 mei 2020. Over die periode valt volgens de vaststellingsovereenkomst over en weer niets meer te claimen. Bij uitspraak van heden in de zaken 23/256 WIA en 23/1259 WIA heeft de Raad geoordeeld dat de vaststellingsovereenkomst tussen appellant en het Uwv rechtsgeldig tot stand is gekomen en dat hij geen reden ziet appellant daaraan niet gebonden te achten. De Raad stelt vast dat het verzoek om vergoeding van de kosten van bezoeken aan een verzekeringsarts op 9 mei 2019 valt onder de reikwijdte van de vaststellingsovereenkomst. Het betreft namelijk kosten in de periode vóór 1 mei 2020, de periode waarover appellant en het Uwv finale kwijting zijn overeengekomen. Dat betekent dat de tussen partijen geldende vaststellingsovereenkomst in de weg staat aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgrond van appellant hierover.
4.2.
Met betrekking tot het verzoek om vergoeding van de verletkosten in verband met het bezoek aan de verzekeringsarts op 8 april 2021 oordeelt de Raad als volgt. Dit verzoek ziet op verletkosten in de periode ná 1 mei 2020, zodat het niet valt onder de reikwijdte van eerdergenoemde vaststellingsovereenkomst. Dat betekent dat de Raad zal beoordelen of de beroepsgronden van appellant slagen.
4.3.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van schade als gevolg van een onrechtmatig besluit of onrechtmatig handelen ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit geen sprake is. Daaraan wordt nog toegevoegd dat appellant zijn verzoek om vergoeding van verletkosten niet heeft onderbouwd met bewijsstukken die betrekking hebben op de periode waarin ze zouden zijn gemaakt.
4.4.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en H.G. Rottier en G.C. Boot als leden, in tegenwoordigheid van D.M.A. van Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2026.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) D.M.A. van Geijn

Voetnoten

1.CRvB 23 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:625.
2.CRvB 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1338.
3.CRvB 30 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:615.