Uitspraak
PROCESVERLOOP
.Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.R.M. Berends-Schellens, B.J. Dekkers en S. den Boer.
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
.De verzekeringsarts vermeldt dat uit de (medische) stukken blijkt dat zowel in 2014 als in 2015 werd betwijfeld of appellante door haar mentale toestand in staat/voldoende toerekeningsvatbaar was om beslissingen te nemen c.q. gevolgen daarvan te overzien
.Dit was volgens de verzekeringsarts in 2017 niet anders. In 2017 was appellante ook verminderd toerekeningsvatbaar te achten c.q. niet in staat haar eigen wil te bepalen als gevolg van bij haar aanwezige ernstige psychische problematiek
.Vanuit die problematiek is het volgens de verzekeringsarts te begrijpen en te verklaren dat appellante alles wat verband hield met de (ex-)werkgever wilde vermijden. In dit kader heeft zij wellicht ook (bewust) afgezien van de WIA-aanvraag. In het bevestigende geval is dit echter geen keuze geweest uit vrije wil, maar vanuit het ziektebeeld van appellante waardoor het haar niet/verminderd te verwijten zou zijn dat zij de WIA-uitkering niet heeft aangevraagd
.
.
.
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten van 1 augustus 2016, 8 mei 2018 en 18 juli 2018;
- herroept de besluiten van 11 november 2015, 5 april 2017 en 19 december 2017;
- verklaart het beroep tegen het nader besluit van 28 mei 2025 ongegrond;
- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 9.868,-;
- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep betaalde griffierecht van in totaal € 168,- vergoedt