Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:264

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
24/144 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens laattijdige indiening bezwaarschrift zonder verschoonbare termijnoverschrijding

Appellante had tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Elburg bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland die haar beroep niet-ontvankelijk verklaarde wegens laattijdige indiening.

De Raad beoordeelde of de rechtbank terecht het beroep niet-ontvankelijk had verklaard. Appellante voerde aan dat zij door psychische problemen, stress en financiële problemen niet tijdig beroep kon instellen en dat zij onvoldoende tijd had om zich op de zitting voor te bereiden. De Raad oordeelde dat appellante voldoende gelegenheid had gehad om tijdig beroep in te stellen en dat de overschrijding van drie maanden niet verschoonbaar was.

De Raad stelde vast dat de door appellante overgelegde medische verklaring onvoldoende concreet was om te concluderen dat zij door psychisch onvermogen niet eerder beroep kon instellen of hulp kon vragen. Ook het druk zijn met andere zaken en financiële problemen rechtvaardigen geen verschoonbare termijnoverschrijding.

De Raad bevestigde daarom de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep en wees het hoger beroep af. Appellante kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het beroep blijft niet-ontvankelijk wegens niet-verschoonbare laattijdige indiening.

Uitspraak

24/144 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/144 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 december 2023, 22/1874 PW (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Elburg (college)
Datum uitspraak: 3 maart 2026

SAMENVATTING

In deze zaak gaat het om de vraag of de rechtbank terecht het beroep van appellante nietontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep te laat is ingediend en dat appellante daarvoor geen goede reden had. Appellante voert aan dat zij door langdurige stress en haar slechte financiële situatie psychische problemen had en het te druk had met andere zaken, waardoor zij niet in staat was tijdig beroep bij de rechtbank in te stellen. Het beroep is daarom verschoonbaar te laat ingediend. De Raad is het niet met appellante eens en komt tot het oordeel dat de rechtbank terecht het beroep van appellante niet-ontvankelijk heeft verklaard.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 januari 2026. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Met een besluit van 11 juni 2021 heeft het college het eerder toegekende, zogeheten volwassenenpakket voor de jaren 2019, 2020 en 2021 tot een bedrag van in totaal € 1.050,- van appellante teruggevorderd.
1.2.
Met een besluit van 11 augustus 2021 heeft het college het recht op bijstand van appellante met ingang van 1 augustus 2021 opgeschort.
1.3.
Met een besluit van 29 november 2021 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 11 juni 2021 en 11 augustus 2021 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het beroepschrift buiten de termijn voor het instellen van beroep is ingediend en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Volgens de rechtbank heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij gedurende de gehele beroepstermijn niet in staat is geweest om tijdig een beroepschrift in te dienen of om daarvoor de hulp van een derde in te roepen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Formele gronden
4.1.
Appellante voert aan dat zij ter zitting bij de rechtbank werd overvallen door het feit dat alleen de ontvankelijkheid van het beroep aan de orde werd gesteld. Zij veronderstelde dat dit een gepasseerd station was en was daarom niet goed voorbereid. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.1.1.
Met een brief van 25 januari 2023 heeft de rechtbank appellante erop gewezen dat het beroepschrift buiten de voor het instellen van beroep gestelde termijn van zes weken is ontvangen en haar in de gelegenheid gesteld schriftelijk te laten weten waarom zij haar beroepschrift na afloop van de beroepstermijn heeft ingediend. Omdat appellante niet reageerde, heeft de rechtbank haar aan deze brief herinnerd met brieven van 16 februari 2023 en 9 maart 2023. Met een brief van 20 maart 2023 heeft appellante de rechtbank laten weten dat zij door financiële problemen en stress niet in staat was eerder haar beroepschrift in te dienen en dat zij nog doende is om stukken te vinden waarmee zij dat kan onderbouwen. In reactie hierop heeft de rechtbank laten weten dat zij eerst een beslissing zal gaan nemen over de vraag of, ook al heeft appellante te laat beroep ingesteld, zij daarvan geen verwijt kan worden gemaakt. Op 25 augustus 2023 heeft de rechtbank appellante bericht dat het voornemen is om haar beroep op 10 november 2023 op een zitting te behandelen. Met een brief van 15 oktober 2023 heeft appellante de rechtbank verzocht mede te delen waar deze zitting over zal gaan. Met een brief van 18 oktober 2023 heeft de rechtbank appellante laten weten dat haar beroep wordt behandeld op een zitting van de rechtbank op 10 november 2023. Hierin heeft de rechtbank – vetgedrukt – opgenomen: “Tijdens de zitting zal uitsluitend de ontvankelijkheid van het beroep worden behandeld. Daarom komt op de zitting alleen aan de orde of het beroepschrift op tijd is ingediend.” De rechtbank heeft het beroep behandeld op een zitting van 10 november 2023. Hieraan heeft appellante deelgenomen.
4.1.2.
Uit deze gang van zaken blijkt niet dat de rechtbank op enig moment bij appellante de indruk heeft gewekt dat de ontvankelijkheid van haar beroep een gepasseerd station was, nog daargelaten in hoeverre daar betekenis aan zou kunnen toekomen. Integendeel, in de verschillende brieven van de rechtbank aan appellante staat duidelijk dat het beroepschrift te laat is ingediend en dat de rechtbank nog moet beoordelen of appellante daarvan een verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank had daarover nog geen beslissing genomen en heeft appellante op geen enkele manier laten weten dat haar beroep inhoudelijk zou worden behandeld. Gelet op de brief van 18 oktober 2023 – dus ruim voor de zitting – was appellante ervan op de hoogte dat tijdens de zitting alleen de ontvankelijkheid van haar beroep en in het bijzonder de tijdigheid daarvan aan de orde zou komen. Appellante heeft daarna niet om uitstel van de behandeling ter zitting verzocht.
4.2.
Appellante voert verder aan dat zij om de volgende reden ook in hoger beroep niet genoeg tijd heeft gehad om zich goed op de zitting van 20 januari 2026 voor te bereiden. In 2025 heeft zij gebeld met de Raad met de vraag of de zitting inhoudelijk was. Deze vraag werd toen bevestigend beantwoord. De Raad heeft pas voor het eerst met een e-mailbericht van 9 januari 2026 aan appellante laten weten dat op de zitting alleen de niet-ontvankelijkheid van het beroep aan de orde zal komen. Zij heeft om die reden te weinig tijd gehad om de benodigde stukken te verzamelen. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Hiervoor is het volgende van betekenis.
4.2.1.
Dat appellante heeft gebeld over de zitting van 20 januari 2026 heeft de Raad niet kunnen vaststellen. Maar wat er van het gestelde telefoongesprek ook zij, appellante wist dat de door haar aangevallen uitspraak alleen maar ging over de ontvankelijkheid van haar beroep. Appellante wist ook, althans had kunnen weten, dat toen zij in 2024 tegen die uitspraak hoger beroep instelde, zij met (medische) gegevens moest komen om te onderbouwen dat het voor haar niet mogelijk was om binnen zes weken na het bestreden besluit een beroepschrift in te dienen bij de rechtbank of om hulp te vragen. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak namelijk overwogen dat appellante geen goede reden had om te laat beroep in te stellen, omdat zij niet met stukken (van een arts) heeft onderbouwd dat zij psychische klachten heeft en dat die klachten ook zo ernstig zijn dat zij niet op tijd een beroepschrift heeft kunnen indienen of niet om hulp heeft kunnen vragen. Appellante heeft dus ruim de tijd gehad om aan (medische) gegevens te komen.
4.2.2.
Uit 4.2.1 volgt dat toen appellante in november 2025 op de hoogte werd gesteld van het voornemen om haar hoger beroep te agenderen voor een zitting op 20 januari 2026 en vervolgens met een brief van 30 december 2025 daarvoor werd uitgenodigd, zij kon weten dat die zitting alleen zou gaan over de ontvankelijkheid van haar beroep. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat appellante te weinig tijd heeft gehad om zich voor te bereiden op de zitting.
Verschoonbaarheid termijnoverschrijding in beroep
4.3.
Vaststaat en ook niet in geschil is dat appellante haar beroepschrift, dat door de rechtbank op 11 april 2022 is ontvangen, te laat heeft ingediend. De termijn om beroep in te stellen eindigde namelijk op 11 januari 2022. Appellante heeft dus drie maanden te laat beroep ingesteld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
4.4.1.
In vier uitspraken van 30 januari 2024 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven nieuwe uitgangspunten geformuleerd voor de beoordeling van termijnoverschrijdingen als bedoeld in artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in bestuursrechtelijke procedures. [1] De Raad heeft dit nieuwe beoordelingskader in zijn uitspraken van 8 mei 2024, in korte vorm weergegeven en toegespitst op zijn eigen zaken, overgenomen. [2]
4.4.2.
De nieuwe uitgangspunten houden onder meer in dat bij de beoordeling van de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding – in het geval van een beroep op bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen – een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering wordt gevolgd. Dit betekent dat alle omstandigheden van het geval in hun samenhang moeten worden bezien. Als zich bijzondere omstandigheden voordoen, moet de indiener minder snel worden tegengeworpen dat deze zaken had kunnen organiseren om termijnoverschrijding te voorkomen. Als onderdeel van de contextuele benadering kan bij de vraag naar de toerekening aandacht worden besteed aan de hoedanigheid van de indiener, of de indiener zich heeft laten bijstaan door een rechtshulpverlener of andere derde, de omvang van de termijnoverschrijding, de partijconstellatie en de positie van het bestuursorgaan. Als het gaat om het bewijs van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, bestaat aanleiding voor een minder strikte benadering dan uit vroegere rechtspraak volgt. Dit betekent onder meer dat aan de bewijsmiddelen en de daaraan te verbinden bewijskracht geen in de context van het geval onnodig hoge eisen mogen worden gesteld.
4.5.
Appellante voert net als in beroep aan dat zij door de volgende omstandigheden niet in staat was om tijdig een beroepschrift in te dienen tegen het bestreden besluit. In 2021 en 2022 had zij psychische problemen als gevolg van langdurige stress en armoede. Die situatie leidde er onder meer toe dat de Belastingdienst boetes aan appellante heeft opgelegd wegens het te laat doen van aangifte, wat tot nog meer stress leidde. Ook de opschorting van het recht op bijstand met ingang van 1 augustus 2021 heeft tot financiële problemen en stress geleid. Verder had appellante het in de periode dat zij beroep moest instellen te druk gehad met veel andere zaken, namelijk met een opleiding, een stage, werk en thuis. Appellante verwijst voor haar financiële problemen naar stukken die zij kort voor de zitting heeft overgelegd. Voor haar psychische problemen verwijst appellante naar een kort voor de zitting overgelegde verklaring van haar huisarts van 14 januari 2026, waarin staat: “[...] Er is sprake van een conflict met de gemeente Elburg over uitkering dat over meerdere jaren loopt. Rond de periode van 2021 en de jaren eromheen is patiënte door ziekte niet altijd in staat geweest haar afspraken na te komen.” Deze beroepsgrond slaagt niet. In wat appellante heeft aangevoerd zijn geen bijzondere omstandigheden gelegen die in samenhang bezien maken dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Hiervoor is het volgende van belang.
4.5.1.
De Raad stelt voorop dat het in het geval van appellante niet om een geringe overschrijding van de beroepstermijn gaat. Die termijn is namelijk met drie maanden overschreden. Dat appellante het te druk had met andere zaken is geen omstandigheid die op zichzelf en ook niet in samenhang met andere omstandigheden een zo lange termijnoverschrijding kan rechtvaardigen. Ditzelfde geldt voor de gestelde stress en psychische problemen door financiële problemen, alleen al omdat appellante dit met de door haar ingediende stukken niet aannemelijk heeft gemaakt.
4.5.2.
De beschikbare gegevens bieden onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat zich in het geval van appellante zodanige bijzondere (persoonlijke) omstandigheden voordoen, zoals psychisch onvermogen, dat zij pas op 11 april 2022 beroep kon instellen en niet tijdig om hulp heeft kunnen vragen. De door appellante ingebrachte verklaring van haar huisarts is daarvoor niet concreet genoeg. De huisarts verklaart dat appellante als gevolg van ziekte niet altijd afspraken heeft kunnen nakomen. Het instellen van beroep is echter niet vergelijkbaar met een afspraak die moet worden nagekomen. Andere gegevens waaruit zou kunnen worden afgeleid dat appellante door persoonlijke omstandigheden pas op 11 april 2022 beroep heeft instellen en niet in staat was om tijdig hulp in te roepen zijn er niet.

Conclusie en gevolgen

4.6.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor door haar gemaakte proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) F.M. Gerritsen