ECLI:NL:CRVB:2026:262

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
24/1145 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 PWArt. 17 PWArt. 54 PWArt. 58 PWArt. 475b Wvbr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en gezamenlijke huishouding

Appellant ontving bijstand sinds 2018 en werd geconfronteerd met intrekking en terugvordering van bijstand over twee periodes in 2020 en vanaf februari 2021. Het college stelde dat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden door stortingen en bijschrijvingen op zijn bankrekening niet te melden en door niet te melden dat hij zijn hoofdverblijf had bij zijn ex-echtgenote, met wie hij een gezamenlijke huishouding voerde.

De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de gestorte bedragen afkomstig waren van eerder opgenomen eigen geld, waardoor deze als inkomsten moesten worden aangemerkt. Tevens werd vastgesteld dat appellant vanaf 3 februari 2021 zijn hoofdverblijf had op het adres van zijn ex-echtgenote, waarmee hij een gezamenlijke huishouding voerde, waardoor hij geen recht had op bijstand als alleenstaande.

Appellants beroep tegen de brutering van de terugvordering over 2020 werd eveneens verworpen, omdat het college pas in 2021 op de hoogte was van de stortingen. Een beroep op dringende redenen om van terugvordering af te zien werd niet gehonoreerd, ondanks appellants persoonlijke omstandigheden zoals gokverslaving en detentie.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting en het voeren van een gezamenlijke huishouding worden bevestigd.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/1145 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 april 2024, 22/5024 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
Datum uitspraak: 3 maart 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over een intrekking en terugvordering van bijstand. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden, omdat hij meerdere bijschrijvingen en stortingen op zijn bankrekening in twee perioden in 2020 niet heeft gemeld. Ook heeft hij niet bij het college gemeld dat hij vanaf 3 februari 2021 op het adres van zijn ex-echtgenote zijn hoofdverblijf had, terwijl zij samen kinderen hebben, en daardoor een gezamenlijke huishouding met haar voerde. Hierdoor heeft appellant geen recht op bijstand. Appellant is het daarmee niet eens, maar krijgt geen gelijk. Ook is hij het niet eens met de brutering van de terugvordering over 2020, maar ook daarin krijgt hij geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.H. Amstelveen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 januari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Amstelveen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J. van der Zwart.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontving sinds 14 februari 2018 bijstand naar de norm voor een alleenstaande zonder woonkosten (thuis- of daklozenuitkering) op grond van de Participatiewet (PW).
1.2.
Op 4 januari 2021 heeft een gesprek met de zoon van appellant plaatsgevonden in het kader van een aanvraag om bijstand van zijn zoon. Zijn zoon heeft onder andere verklaard dat appellant de bankpas van zijn moeder, de ex-echtgenote van appellant, gebruikt. Het college heeft naar aanleiding daarvan dossieronderzoek verricht en appellant uitgenodigd voor een gesprek op 16 november 2021.
1.3.
Appellant heeft op 16 november 2021 een verklaring afgelegd en heeft daarbij meerdere stukken ingeleverd, waaronder bankafschriften over de periode van 1 juli 2020 tot en met 31 december 2020. Appellant heeft onder meer verklaard dat hij vanaf 3 februari 2021 op adres X van zijn ex-echtgenote in [woonplaats] verblijft. Hij moet daar van de rechter verplicht wonen om voor de politie bereikbaar te zijn. Verder heeft hij verklaard dat hij daar een eigen kamer heeft met een kast waarin zijn kleding ligt, dat zijn administratie in een kast in een andere kamer ligt en dat hij vanaf februari 2021 een sleutel van de woning heeft.
1.4.
Vervolgens heeft de afdeling Handhaving & Fraude van de gemeente Den Haag onderzoek verricht. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 22 november 2021. Op 22 november 2021 zijn de resultaten van dit onderzoek met appellant besproken. Uit de door appellant overgelegde bankafschriften blijkt dat appellant over de periode 1 juli 2020 tot en met 30 september 2020 en van 1 november 2020 tot en met 31 december 2020 stortingen en bijschrijvingen op zijn bankrekening heeft ontvangen. Daarnaast is gebleken dat appellant op 3 februari 2021 is aangehouden op adres X in verband met een Europees aanhoudingsbevel van de Duitse autoriteiten voor strafrechtelijk onderzoek, dat hij van 3 februari 2021 tot en met 8 februari 2021 in overleveringsbewaring heeft gezeten en dat uit een bevel schorsing overleveringsbewaring van de rechtercommissaris van de rechtbank blijkt dat als schorsingsvoorwaarde is gesteld dat appellant zal verblijven op adres X.
1.5.
De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om met een besluit van 25 november 2021 de bijstand van appellant over de periodes van 1 juli 2020 tot en met 30 september 2020 (periode 1), van 1 november 2020 tot en met 31 december 2020 (periode 2) en met ingang van 3 februari 2021 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over periode 1, periode 2, en van 3 februari 2021 tot en met 31 oktober 2021 terug te vorderen tot een bedrag van in totaal € 10.733,38.
1.6.
Met een besluit van 29 november 2021 (bruteringsbesluit) heeft het college de terugvordering over het jaar 2020 gebruteerd met € 424,84. Daardoor is de (bruto) terugvordering in totaal € 11.158,22.
1.7.
Met een besluit van 4 juli 2022 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 25 november 2021 en 29 november 2021 ongegrond verklaard. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden omdat hij de stortingen en bijschrijvingen op zijn bankrekening niet heeft gemeld bij het college en omdat hij niet heeft gemeld dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het adres van zijn ex-echtgenote. De stortingen en bijschrijvingen zijn inkomsten en zijn hoger dan de bijstandsnorm, zodat appellant in periode 1 en periode 2 geen recht heeft op bijstand. Omdat uit de relatie van appellant met zijn ex-echtgenote kinderen zijn geboren en hij vanaf 3 februari 2021 zijn hoofdverblijf heeft op het adres van zijn ex-echtgenote, is er sprake van het onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW. Appellant voert daarom per 3 februari 2021 een gezamenlijke huishouding, zodat hij geen recht heeft op bijstand als alleenstaande. Appellant heeft samen met zijn ex-echtgenote voldoende middelen om de kosten van levensonderhoud zelf te betalen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de intrekking en terugvordering en brutering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Het bestreden besluit wordt getoetst voor periode 1 en periode 2 en voor de periode van 3 februari 2021 (de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken) tot en met 25 november 2021 (de datum van het intrekkingsbesluit) (te beoordelen periodes).
4.2.
De intrekking en terugvordering van bijstand zijn voor de betrokkene belastende besluiten. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Deze bewijslast brengt in dit geval met zich dat het college aannemelijk moet maken dat, en in welk opzicht appellant gedurende de gehele te beoordelen periodes de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat appellant als gevolg daarvan in die periode geen recht op bijstand heeft.
Stortingen en bijschrijvingen
4.3.
Appellant heeft, zoals ter zitting besproken, aangevoerd dat in drie maanden de stortingen op zijn rekening bedragen zijn die hij eerder van zijn rekening heeft opgenomen. Dit is zijn eigen geld en de bedragen kunnen dus niet als inkomsten worden beschouwd. Het gaat om de stortingen op 29 juli 2020 van € 300,- en € 500,-, van € 1.120,- op 27 september 2020 en van € 200,- op 8 december 2020. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.3.1.
Bedragen die contant zijn gestort en bedragen die zijn overgemaakt door derden naar een bankrekening van een bijstandontvanger worden in beginsel beschouwd als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben is het inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW als zij door de betrokkene kunnen worden gebruikt voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan. Dit is vaste rechtspraak. [1]
4.3.2.
Appellant heeft bij de door hem genoemde stortingen niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat de gestorte bedragen (deels) afkomstig zijn van zijn eigen rekening, waarvan appellant de bedragen eerder had opgenomen. Uit eerdere rechtspraak volgt dat daarbij van betekenis is of voldoende rechtstreeks verband is te zien tussen de opnames en stortingen, zowel in tijd als in omvang van de afzonderlijke bedragen. [2] In dit geval bestaat onvoldoende rechtstreeks verband om aan te nemen dat de op de bankrekening van appellant gestorte bedragen (deels) de bedragen zijn die appellant eerder had opgenomen. Appellant heeft op 23 juli 2020 een bedrag opgenomen van € 800,- en op 29 juli 2020 € 300,- en € 200,- gestort. Het opgenomen bedrag komt dus niet overeen met de gestorte bedragen en er zitten zes dagen tussen de opname en storting. Niet duidelijk is dus of het geld dat is gestort direct afkomstig is van het opgenomen bedrag. Ook het gestorte bedrag op 27 september 2020 van € 1.120,- verschilt van het opgenomen bedrag, nu de opnames op 25 en 26 september een bedrag van in totaal € 1.750,- betreffen. Appellant heeft verder weliswaar op 6 december 2020 € 150,- en € 50,- gepind en op 8 december 2020 € 200,- gestort, maar ook hier is onduidelijk of dat geld direct afkomstig is van zijn eigen rekening. Bovendien lijken de op 6 december 2020 gepinde bedragen betrekking te hebben op een eerdere storting op 6 december 2020 van € 200,-. De Raad merkt hierbij op dat appellant ter zitting heeft verklaard dat hij vaak geld opnam om daarmee te gokken en het daarna weer terugstortte. Van de overige gestorte en bijgeschreven bedragen in periode 1 en 2 heeft appellant evenmin aannemelijk gemaakt wat de herkomst was. Het college heeft de gestorte en bijgeschreven bedragen in die periodes dan ook terecht als inkomsten aangemerkt.
4.3.3.
Uit 4.3.2 volgt dat appellant in periode 1 en 2 inkomsten had. Appellant heeft hiervan geen melding gemaakt bij het college, zodat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Omdat het gaat om inkomsten boven de bijstandsnorm had appellant geen recht op bijstand over die periodes.
Gezamenlijke huishouding
4.4.
Appellant heeft aangevoerd dat er geen sprake was van een gezamenlijke huishouding. Hij had zijn hoofdverblijf niet in de woning van zijn ex-echtgenote. Hij moest op dat adres verblijven in verband met de door de rechter-commissaris opgelegde schorsingsvoorwaarden, maar hij verbleef ook bij familie. Hiervan heeft hij in bezwaar twee verklaringen overgelegd. Hij had een postadres waar hij zijn post kreeg. Ook was zijn exechtgenote vaak in Turkije. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
4.4.1.
Van een gezamenlijke huishouding is sprake als twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
4.4.2.
Vaststaat dat uit het huwelijk van appellant en zijn ex-echtgenote kinderen zijn geboren. Gelet op artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW is dan voor de beantwoording van de vraag of appellant en zijn ex-vrouw een gezamenlijke huishouding voerden daarom, anders dan in 4.4.1 vermeld, slechts bepalend of zij in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.
4.4.3.
Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven is. Dit moet aan de hand van concrete feiten en omstandigheden worden vastgesteld. Als aannemelijk is dat betrokkenen op hetzelfde adres hun hoofdverblijf hadden, maakt het niet uit of zij stonden ingeschreven op verschillende adressen.
4.4.4.
Vaststaat dat de ex-echtgenote met haar kinderen woonde in de woning op adres X. Dat zij vaak in Turkije was doet, wat hier ook van zij, niet af aan haar hoofdverblijf in de woning op adres X. Verder heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat ook appellant zijn hoofdverblijf had in de woning op adres X. Hiervoor is van belang dat appellant zelf heeft verklaard dat hij daar vanaf 3 februari 2021 woonde, dat hij daar een kamer had, dat zijn kleren en administratie daar lagen en dat hij een sleutel van de woning had. Dat hij daar moest verblijven in verband met de voorwaarde voor schorsing van de overleveringsbewaring maakt dit niet anders. De reden waarom appellant daar is gaan wonen speelt geen rol bij de beoordeling of sprake is van een gezamenlijke huishouding. De vraag of iemand een gezamenlijke huishouding voert, moet namelijk worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. De omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie zijn daarbij niet van belang. Bovendien was appellant op 3 februari 2021 in de woning aanwezig toen hij werd aangehouden. Dat appellant een postadres had, zegt iets over waar hij zijn post ontvangt, maar zegt weinig over waar hij feitelijk verbleef.
4.4.5.
Uit de twee door appellant in bezwaar overgelegde verklaringen kan evenmin worden opgemaakt dat appellant niet zijn hoofdverblijf op adres X had. De ongedateerde verklaring van Y dat appellant twee keer in de week kwam verblijven in zijn huis is niet concreet over de duur van dat verblijf en wat hij feitelijk daar deed. Bovendien heeft Y zijn verklaring niet geplaatst in tijd, zodat niet duidelijk is of zijn verklaring ziet op de periode vanaf 3 februari 2021. De verklaring van Z dat appellant in de periode 2016 tot 2022 soms bij hen kwam slapen geeft weliswaar een periode aan, maar is niet concreet over de frequentie dat appellant bij hen sliep.
4.4.6.
Uit 4.4.4 en 4.4.5 volgt dat appellant en zijn ex-echtgenote vanaf 3 februari 2021 een gezamenlijk hoofdverblijf hadden op adres X. Appellant heeft hiervan geen melding gemaakt bij het college, zodat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Gelet op artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW was daarom sprake was van een gezamenlijke huishouding, zodat appellant geen recht had op bijstand als alleenstaande.
Brutering terugvordering 2020
4.5.
Appellant heeft aangevoerd dat het college de terugvordering over 2020 ten onrechte heeft gebruteerd. Appellant kan niet worden verweten dat de vordering is ontstaan en niet is voldaan in 2020. Nagelaten is in 2020 terug te vorderen. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
4.5.1.
De bijstandverlenende instantie kan de bijstand bruto terugvorderen. Dat staat in artikel 58, vijfde lid, tweede volzin, van de PW. Maar de bijstandverlenende instantie mag deze bevoegdheid niet gebruiken als de vordering mede of geheel is ontstaan door toedoen van de bijstandverlenende instantie én de betrokkene niet kan worden verweten dat hij de vordering niet al heeft voldaan in het kalenderjaar waarin deze is ontstaan. Dit is vaste rechtspraak. [3]
4.5.2.
Het college is pas in 2021 op de hoogte geraakt van de stortingen en bijschrijvingen op de rekening van appellant in 2020. Dit komt niet door toedoen van het college. Alleen al hierdoor kon het college de terugvordering over 2020 bruteren.
Dringende redenen
4.6.
Appellant heeft een beroep gedaan op dringende redenen om van terugvordering af te zien. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat hij gokverslaafd is, in mei 2024 uit detentie is gekomen, en geen inkomen heeft waardoor hij noodgedwongen nog steeds bij zijn ex-echtgenote verblijft. Dit alles bemoeilijkt appellants re-integratietraject. Daarnaast zakt appellant door de terugvordering onder het bestaansminimum en kan hij niet voorzien in zijn basisbehoeften.
4.6.1.
Het college is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de PW. Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de PW.
4.6.2.
Zoals de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 [4] tot uitdrukking heeft gebracht moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
4.6.3.
Wat appellant heeft aangevoerd heeft het college bij afweging van de betrokken belangen niet als dringende redenen hoeven aan te merken om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het besluit om niet (deels) van terugvordering af te zien getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. Daarvoor heeft het college van belang geacht dat de terugvordering niet door toedoen van het college is ontstaan of opgelopen, maar door de schending van de inlichtingenverplichting door appellant. Dat appellant geen inkomen heeft, is geen gevolg van de terugvordering. Verder heeft appellant bij de invordering als schuldenaar de bescherming van de regels over de beslagvrije voet die zijn neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, welke bescherming hij ook kan inroepen als het college een te lage beslagvrije voet zou hanteren. Dat appellant gokverslaafd is maakt het voorgaande niet anders.

Conclusie en gevolgen

4.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de intrekking en terugvordering en brutering in stand blijven.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman als voorzitter en C. Karman en D.H. Harbers als leden, in tegenwoordigheid van C.C.M. van 't Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) C.C.M. van 't Hol

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Participatiewet
Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a
Op grond van de PW wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert.
Artikel 3, derde lid
Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
Artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b
Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.
Artikel 17, eerste lid
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
Artikel 54, derde lid
Het college trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de PW heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
Artikel 58, eerste lid
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de PW.
Artikel 58, vijfde lid
Bij gebreke van tijdige betaling kan de vordering worden verhoogd met de op de terugvordering betrekking hebbende kosten. Loonbelasting en de premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, kunnen worden teruggevorderd, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450.
2.Zie de uitspraak van 13 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:530.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1388.