Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Gezamenlijke huishouding
Brutering terugvordering 2020
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand sinds 2018 en werd geconfronteerd met intrekking en terugvordering van bijstand over twee periodes in 2020 en vanaf februari 2021. Het college stelde dat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden door stortingen en bijschrijvingen op zijn bankrekening niet te melden en door niet te melden dat hij zijn hoofdverblijf had bij zijn ex-echtgenote, met wie hij een gezamenlijke huishouding voerde.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de gestorte bedragen afkomstig waren van eerder opgenomen eigen geld, waardoor deze als inkomsten moesten worden aangemerkt. Tevens werd vastgesteld dat appellant vanaf 3 februari 2021 zijn hoofdverblijf had op het adres van zijn ex-echtgenote, waarmee hij een gezamenlijke huishouding voerde, waardoor hij geen recht had op bijstand als alleenstaande.
Appellants beroep tegen de brutering van de terugvordering over 2020 werd eveneens verworpen, omdat het college pas in 2021 op de hoogte was van de stortingen. Een beroep op dringende redenen om van terugvordering af te zien werd niet gehonoreerd, ondanks appellants persoonlijke omstandigheden zoals gokverslaving en detentie.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting en het voeren van een gezamenlijke huishouding worden bevestigd.