ECLI:NL:CRVB:2026:26

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
25/385 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van Wajong-uitkering op basis van laattijdige aanvraag en arbeidsvermogen

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 8 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de weigering van een Wajong-uitkering aan appellante. Appellante, geboren op [geboortedatum] 1997, had een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering, maar het Uwv weigerde deze op basis van de vaststelling dat zij in de relevante periode, van haar achttiende verjaardag tot vijf jaar daarna, niet duurzaam arbeidsongeschikt was. De Raad oordeelde dat het Uwv op goede gronden had vastgesteld dat appellante over basale werknemersvaardigheden beschikte en dat haar arbeidsvermogen niet geheel ontbrak. De rechtbank had eerder het beroep van appellante tegen het besluit van het Uwv ongegrond verklaard. De Raad bevestigde deze uitspraak en oordeelde dat appellante niet als jonggehandicapte kon worden aangemerkt, omdat zij in de relevante periode over arbeidsvermogen beschikte. De Raad wees ook het verzoek om schadevergoeding af, omdat er geen aanleiding was voor een vergoeding van proceskosten of griffierecht. De uitspraak benadrukt het belang van objectieve medische gegevens en de bewijslast die bij appellante lag, gezien de laattijdige aanvraag.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 januari 2025, 24/2675 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 8 januari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen. Volgens appellante beschikte zij op [geboortedatum] 2015 (de dag dat zij achttien jaar is geworden) (duurzaam) niet over arbeidsvermogen en had zij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld en heeft verzocht om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 november 2025. Voor appellante is mr. De Jonge verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 1997, heeft met een door het Uwv op 3 oktober 2022 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat appellante klachten heeft als gevolg van panhypopituïtarisme (hormoonuitval). Bij de aanvraag is onder meer informatie gevoegd van internist-endocrinologen uit 2018, 2019 en 2022, van de huisarts uit 2020, van (GZ-)psychologen uit 2021 en een medicatielijst uit 2022. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante tussen haar achttiende verjaardag en vijf jaar daarna arbeidsvermogen heeft gehad, terwijl op haar achttiende verjaardag sprake was van beperkingen door ziekte of gebrek. Appellante heeft haar arbeidsvermogen na haar 23e verjaardag verloren. Met een besluit van 28 december 2022 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen.
1.2.
Bij besluit van 7 februari 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat appellante haar arbeidsvermogen (arbitrair) per 1 juli 2022 heeft verloren, maar dat deze situatie niet duurzaam is.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
In de rapporten van het Uwv is op goede gronden vastgesteld dat bij appellante in de periode van [geboortedatum] 2015 tot 1 juli 2020 niet kan worden gesproken van afwezigheid van arbeidsvermogen op medische gronden. Appellante heeft in deze periode een MBOopleiding afgerond, van twee HBO-studies een propedeuse behaald en parttime werkzaamheden verricht. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep was appellante ondanks haar belemmeringen in het dagelijks functioneren op haar achttiende en 23e in staat gedurende ten minste één uur aaneengesloten te werken en ten minste vier uur per dag belastbaar. Hieruit heeft het Uwv kunnen concluderen dat de mogelijkheden voor arbeidsparticipatie niet geheel ontbreken.
2.2.
Appellante heeft ter zitting aangevoerd dat zij niet beschikt over basale werknemersvaardigheden vanwege de spanning en stress van een mogelijke Addisoncrisis. Van een werkgever kan dan niet worden verwacht dat er binnen een half uur de nodige medische hulp is. Bij basale werknemersvaardigheden gaat het echter om instructies van de werkgever kunnen begrijpen, onthouden en uitvoeren en afspraken met de werkgever kunnen nakomen. Bij dat laatste gaat om het accepteren van gezag en om het accepteren van de regels waar de werknemer zich aan moet houden. Dat het appellante daaraan ontbreekt is niet aangevoerd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft dan ook uit het studie- en arbeidsverleden kunnen concluderen dat appellante beschikt over basale werknemersvaardigheden.
2.3.
Appellante heeft haar arbeidsvermogen op een later moment verloren, waarbij arbitrair gekozen is voor 1 juli 2022, hetgeen met name te wijten is aan de aandoening en de medische situatie na het meermaals doormaken van een Addisoncrisis. Uit de informatie van Rijndam Revalidatie blijkt dat sprake is van angstklachten, waaronder angst en stress voor een Addisoncrisis. Appellante heeft niet met (andere) medische stukken onderbouwd dat zij eerder dan 1 juli 2022 het arbeidsvermogen heeft verloren.
Het standpunt van appellante
2.4.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak (kort samengevat) aangevoerd dat ten onrechte is gesteld dat zij vanaf haar achttiende jaar en vijf jaar daarna arbeidsvermogen had. Haar aandoening alleen al maakt namelijk dat zij dit niet heeft. Bovendien kan enkel het afronden van een opleiding niet tot de conclusie leiden dat appellante beschikt over basale werknemersvaardigheden, dat zij een taak kan verrichten, dat zij één uur aaneengesloten kan werken en dat zij vier uur per dag belastbaar is. Appellante heeft weliswaar haar opleiding gehaald, maar dit was met veel ondersteuning. Ook heeft zij gewerkt, maar haar partner heeft het werk grotendeels overgenomen. De werkzaamheden die appellante wel verrichtte hebben juist geleid tot twee grote en ernstige Addisoncrises. Appellante kan het reguliere tempo in gangbare arbeid niet aan. Zij is aangewezen op werk dat onder rechtstreeks toezicht en/of intensieve begeleiding wordt uitgevoerd omdat er altijd direct ingegrepen moet kunnen worden. De zeer wisselende belastbaarheid is onvoorspelbaar en dat maakt dat er geen vaardigheden binnen een arbeidsorganisatie mogelijk zijn. Het arbeidsvermogen ontbreekt ten slotte duurzaam, omdat sprake is van een aangeboren afwijking en er geen behandelingen mogelijk zijn gericht op verbetering van de belastbaarheid.
Het standpunt van het Uwv
2.5.
Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen, onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 mei 2025. Onder verwijzing naar een uitspraak van 8 januari 2025 [1] is het Uwv daarbij van mening dat de vraag of vanaf 1 juli 2022 sprake is van duurzaam verloren arbeidsvermogen niet (meer) relevant is.

Het oordeel van de Raad

3. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
3.1.
Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij jonggehandicapte is in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Daarvan is sprake als een betrokkene geen arbeidsvermogen heeft op de dag waarop hij achttien jaar wordt of in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.
3.2.
Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft een betrokkene geen arbeidsvermogen als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van één uur, of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Het Uwv moet dus beoordelen of een betrokkene voldoet aan (ten minste) één van deze vier genoemde voorwaarden. Is dat het geval, dan heeft de betrokkene geen arbeidsvermogen. Voor een meer algemene beschrijving van het beoordelingskader wordt verwezen naar de uitspraken van de Raad van 5 april 2018 [2] , en 16 januari 2019 [3] .
3.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellante op haar achttiende verjaardag beperkingen ondervond als gevolg van de aangeboren aandoening panhypopituïtarisme. Evenmin is in geschil dat de te beoordelen periode loopt vanaf de achttienjarige leeftijd van appellante, [geboortedatum] 2015, tot vijf jaar daarna, [geboortedatum] 2020. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellante in deze periode arbeidsvermogen had.
3.4.
De aanvraag van appellante moet beschouwd worden als een laattijdige aanvraag. Dit brengt mee dat de bewijslast en dus ook het bewijsrisico bij appellante ligt. Het is dus aan haar om haar standpunt met stukken te onderbouwen. Voor zover onvoldoende gegevens beschikbaar zijn over de gezondheidstoestand van appellante op de van belang zijnde data en het medisch beeld met het verstrijken van de tijd steeds moeilijker is vast te stellen, komen deze omstandigheden voor risico van appellante. [4]
3.5.
De Raad verenigt zich met de overwegingen en het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank over de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat tussen appellantes achttiende en 23e verjaardag geen objectiveerbare medische gegevens voorhanden zijn waaruit blijkt dat er toen sprake was van langdurige intensieve behandeling of opname. Evenmin was sprake van langdurige uitval van de studie vanwege klachten en beperkingen door de panhypopituïtarisme, waaruit zou blijken dat appellante niet belastbaar zou zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er daarbij op gewezen dat appellante diverse hormoonsuppleties krijgt waarbij er volgens de internist-endocrinoloog een zo goed mogelijke aanvulling van het tekort aan hormonen wordt nagestreefd en appellante de orale inname van hydrocortison zelf kan beïnvloeden door zo nodig meer in te nemen. Het door appellante in hoger beroep ingenomen standpunt dat zij op achttienjarige leeftijd door de panhypopituïtarisme en psychische klachten aanzienlijk ernstiger beperkt was dan door het Uwv is aangenomen en dat zij daardoor toen ook (duurzaam) geen arbeidsvermogen had, is niet nader onderbouwd aan de hand van objectief-medische gegevens. Verder heeft ook de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep afdoende gemotiveerd dat appellante in de relevante periode over arbeidsvermogen beschikte. Het overzicht van doorlopen studies, het behaalde MBO-diploma, de behaalde HBO-propedeuses en het overzicht aan bijbaantjes naast de studie is hem dermate substantieel dat overtuigend is aangetoond dat appellante over werknemersvaardigheden beschikte. De niet onderbouwde stelling dat appellantes partner haar werkzaamheden bij een van deze dienstverbanden gedeeltelijk heeft overgenomen, biedt onvoldoende aanknopingspunten om hieraan te twijfelen.
3.6.
Voorts wordt de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd in haar standpunt dat er medisch gezien geen reden is dat appellante in de relevante periode onder rechtstreeks toezicht en/of intensieve begeleiding diende te staan. En ook als continu toezicht noodzakelijk is, betekent dat niet dat van arbeidsvermogen geen sprake kan zijn. [5] Er zijn ten slotte geen aanknopingspunten aanwezig om aan te nemen dat appellante ten tijde van belang zodanig wisselend belastbaar moest worden geacht dat zij niet beschikte over benutbare mogelijkheden dan wel dat sprake was van een te hoog verzuimrisico. [6]
3.7.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het Uwv terecht heeft gevolgd in zijn standpunt dat appellante op [geboortedatum] 2015 en in de vijf jaar daarna beschikte over arbeidsvermogen en om die reden niet als jonggehandicapte is aan te merken. De vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is, kan daarom onbeantwoord blijven.

Conclusie en gevolgen

4. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft. Bij deze uitkomst is er geen aanleiding voor een vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente, zodat het daartoe strekkende verzoek van appellante zal worden afgewezen.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2026.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) D.M.A. van de Geijn

Voetnoten

1.CRvB 8 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:20.
2.CRvB 5 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1018.
3.CRvB 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:286.
4.Vergelijk de uitspraken van de Raad van 24 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO9240 en 27 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6477.
5.Zie de uitspraak van de Raad van 30 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1011.
6.Zie de uitspraak van de Raad van 30 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2979.