ECLI:NL:CRVB:2026:253

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
24/1152 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:76 AwbArt. 8:104 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand en dwangsommen, geen schadevergoeding redelijke termijn

In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen uitspraken van de rechtbank Limburg betreffende de afwijzing van zijn aanvragen om bijzondere bijstand en de toekenning en afwijzing van dwangsommen. Tevens verzocht appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank had de meeste beroepen ongegrond of niet-ontvankelijk verklaard, met uitzondering van één zaak waarin een schadevergoeding van €1.500,- werd toegekend.

De Centrale Raad van Beroep heeft de aangevallen uitspraken bevestigd. De Raad oordeelt dat de door appellant aangevoerde procedurele gronden, zoals het ontbreken van een ondertekend proces-verbaal en het ten onrechte heffen van griffierecht, niet slagen. Ook wijst de Raad het verzoek om ambtshalve toekenning van schadevergoeding af, omdat de overschrijding van de redelijke termijn niet aan de voorwaarden voldoet.

Verder verklaart de Raad zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen een uitspraak op verzet, omdat daarvoor geen hoger beroep openstaat. De verzoeken om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn worden afgewezen, mede omdat het financiële belang gering is en er geen sprake is van onrechtmatig besluit. De Raad concludeert dat appellant geen vergoeding krijgt voor proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvragen bijzondere bijstand en dwangsommen en wijst de verzoeken om schadevergoeding af.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/1152 PW, 24/1153 PW, 24/1154 PW, 24/1155 PW, 24/1156 PW, 24/1977 PW, 24/1979 PW, 24/1980 PW, 24/2270 PW
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van 14 mei 2024, 20/2683, 21/1327, 21/1764, 22/903, 22/1221 (aangevallen uitspraak 1), van 16 augustus 2024, 22/1971, 23/238, 23/2059 (aangevallen uitspraak 2), en van 16 augustus 2024, 23/3415-V (aangevallen uitspraak 3)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Roermond (college)
Datum uitspraak: 3 maart 2026

SAMENVATTING

Deze zaken gaan over de afwijzing van aanvragen om bijzondere bijstand, de toekenning en afwijzing van dwangsommen en de afwijzing van verzoeken om schadevergoeding. Appellant heeft in het algemeen zijn onvrede over het systeem van de Nederlandse rechtspraak geuit en verschillende procedurele gronden aangevoerd. Deze gronden slagen niet. De aangevallen uitspraken worden daarom bevestigd. Verder worden de door appellant in hoger beroep gedane verzoeken om schadevergoeding afgewezen.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroepen ingesteld, nadere stukken ingediend en verzoeken om schadevergoeding ingediend. Het college heeft verweerschriften ingediend.
De Raad heeft de zaken gevoegd behandeld op een zitting van 20 januari 2026. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door N. Wanten en F. Janssen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
In deze zaken gaat het om verschillende door het college afgewezen aanvragen van appellant om bijzondere bijstand voor kosten van griffierecht. Daarnaast heeft het college besluiten genomen tot afwijzing en tot toekenning van dwangsommen wegens de overschrijding van termijnen voor het nemen van besluiten. Het college heeft de bezwaren van appellant tegen deze besluiten gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard. Tot slot heeft appellant verschillende beroepen niet tijdig beslissen bij de rechtbank ingesteld.
Uitspraken van de rechtbank
2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraken geoordeeld over de beroepen van appellant.
2.1.
De rechtbank heeft in aangevallen uitspraak 1 een oordeel gegeven over verschillende van de onder 1.1 bedoelde besluiten en beroepen niet tijdig beslissen. Op één beroep na zijn de beroepen niet-ontvankelijk of ongegrond verklaard. Het beroep dat gegrond is verklaard betreft een besluit waarbij het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank heeft dat besluit vernietigd en het bezwaar vervolgens alsnog ongegrond verklaard. Verder heeft de rechtbank een schadevergoeding van € 1.500,- toegekend aan appellant wegens overschrijding van de redelijke termijn in één zaak en voor het overige de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.
2.2.
In aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank meerdere beroepen niet-ontvankelijk verklaard omdat er sprake is van misbruik van procesrecht. Ook in die zaak heeft de rechtbank verzoeken om schadevergoeding afgewezen.
2.3.
In aangevallen uitspraak 3 heeft de rechtbank het door appellant gedane verzet tegen een uitspraak van de rechtbank ongegrond verklaard.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraken van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt de aangevallen uitspraken aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat de hoger beroepen niet slagen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Appellant heeft in alle zaken de Raad verzocht om een officier van justitie op te roepen om aanwezig te zijn bij de zitting. De Raad heeft dit verzoek afgewezen. Niet valt in te zien hoe deze oproeping bij kan dragen aan de oordeelsvorming in deze zaken.
4.2.
Appellant heeft gedurende de procedure een zeer groot aantal stukken ingediend waarin hij vooral zijn onvrede uit over het systeem van de Nederlandse rechtspraak en over hoe bestuursorganen omgaan met zijn vele verzoeken en aanvragen. Hij uit daarbij beschuldigingen over medewerkers van het college en de rechtspraak. Concrete beroepsgronden tegen de aangevallen uitspraken zijn daarbij moeilijk te duiden. Op de zitting heeft de Raad appellant voorgehouden welke gronden en verzoeken de Raad in de stukken leest en ook dat tegen bepaalde andere punten, zoals het door de rechtbank vastgestelde misbruik van recht, geen gronden zijn aangevoerd. Appellant heeft ter zitting bevestigd dat de door de Raad geduide gronden en verzoeken hetgeen is waarover hij een oordeel wil van de Raad. Dit betreffen de hierna opgenomen gronden en verzoeken.
Aangevallen uitspraak 1
4.3.
Appellant heeft allereerst aangevoerd dat hij een proces-verbaal had moeten krijgen van de zittingen bij de rechtbank en dat de zittingsaantekeningen die hij heeft ontvangen ten onrechte niet ondertekend zijn. Deze grond slaagt niet. De Raad heeft al eerder in zaken van appellant geoordeeld dat en waarom dit het geval is. [1] De Raad ziet geen aanleiding om nu anders te oordelen.
4.4.
Appellant heeft benadrukt dat hij de door de rechtbank toegekende schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn nog altijd niet heeft ontvangen en verzoekt om die veroordeling tot het betalen van schade uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad volstaat in verband hiermee met een verwijzing naar artikel 8:76 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarin is bepaald dat voor zover een uitspraak strekt tot vergoeding van schade, de uitspraak een executoriale titel oplevert. Alleen al om die reden wordt het verzoek afgewezen.
4.5.
Appellant heeft verder aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte vijf keer griffierecht heeft geheven. Ook deze grond slaagt niet. Gelet op artikel 8:41, eerste lid, van de Awb wordt griffierecht van de indiener van een beroepschrift geheven. Op grond van het derde lid van dit artikel kan er eenmaal griffierecht verschuldigd zijn indien sprake is van één beroepschrift tegen twee of meer samenhangende besluiten. In deze zaken gaat het om vijf afzonderlijke beroepschriften waarbij tegen vijf afzonderlijke besluiten is opgekomen. Dat de beroepen zien op zaken die in elkaars verlengde liggen en dat de zaken gevoegd op zitting zijn behandeld, leidt er niet toe dat in die zaken kan worden volstaan met het eenmaal betalen van griffierecht. [2]
4.6.
Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ambtshalve schadevergoedingen wegens overschrijding van de redelijke termijn had moeten toekennen. Ook deze grond slaagt niet. De ambtshalve toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is alleen aangewezen als de overschrijding zich pas voordoet na het verstrijken van de termijn waarbinnen de rechter na sluiting van het onderzoek ter zitting in eerste instantie uitspraak had behoren te doen. In geen van de onderliggende zaken doet een dergelijke situatie zich voor.
Aangevallen uitspraak 2
4.7.
Appellant heeft ook in het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 gewezen op het niet verkrijgen van een ondertekend proces-verbaal en het ambtshalve moeten toekennen van schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Zoals hiervoor is overwogen slagen die gronden niet. Appellant heeft geen gronden ingediend tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van misbruik van procesrecht. De Raad ziet dan ook geen aanleiding voor de vernietiging van die uitspraak.
Aangevallen uitspraak 3
4.8.
Aangevallen uitspraak 3 betreft een uitspraak gedaan op verzet. Daartegen is in beginsel geen hoger beroep mogelijk. Zie daartoe artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb. Geen aanleiding bestaat dat appelverbod hier te doorbreken. Aanknopingspunten op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat sprake is van een evidente schending van de eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk proces waarborgen, ontbreken. Omdat er geen reden is voor doorbreking van het appelverbod, acht de Raad zich niet bevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 3.
Schadevergoeding
4.9.
Appellant heeft in alle zaken verzocht om een schadevergoeding van € 10.000,-. Volgens appellant is een dergelijke schadevergoeding nodig omdat het college altijd negatief besluit op zijn verzoeken en aanvragen. Door het toekennen van een dergelijke schadevergoeding zou het college volgens appellant niet meer altijd negatief besluiten. Dit verzoek om schadevergoeding wordt alleen al afgewezen omdat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit.
4.10.
Verder heeft appellant in alle zaken verzocht om een schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Deze verzoeken worden afgewezen. Daarvoor is het volgende van belang.
4.10.1.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.
4.10.2.
In het geval van de zaken die onderwerp zijn van aangevallen uitspraak 1 stelt de Raad vast dat de procedure in al die zaken langer dan vier jaar heeft geduurd sinds het indienen van bezwaarschriften van 1 juli 2020, 25 november 2020, 31 december 2020 en 17 december 2020.
4.10.3.
In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. De Raad ziet in het onderhavige geval aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Hiertoe is het volgende van belang.
4.10.4.
In zaken waarin de redelijke termijn is overschreden, wordt als regel – behoudens bijzondere omstandigheden – verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. De Raad hanteert als uitgangspunt dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet, wanneer het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000,- bedraagt, en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. Bij een financieel belang van minder dan € 1.000,- en een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden kan de Raad beslissen naar bevind van zaken. [3] De eerste zaak en oudste zaak gaat over een financieel belang van € 265,- aan bijzondere bijstand. Dit is ver onder de genoemde grens van € 1.000,-. Met deze uitspraak is de overschrijding van de redelijke termijn na de ontvangst van het bezwaarschrift van 1 juli 2020, ruim 21 maanden. Hoewel de overschrijding van de redelijke termijn meer dan twaalf maanden bedraagt, is de Raad na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden van oordeel dat ook in die zaak in hoger beroep kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. In dit geval weegt zwaar dat appellant in hoger beroep geen inhoudelijke gronden heeft aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank over de afwijzing van bijzondere bijstand en hij van de rechtbank al een schadevergoeding van € 1.500,- heeft toegekend gekregen wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn in de zaak over de bijzondere bijstand is overschreden. De andere – latere – zaken gaan over nevenbeslissingen, namelijk over dwangsommen en verzoeken om schadevergoeding. Bij de vaststelling van het financieel belang van een procedure wordt met dergelijke nevenbeslissingen geen rekening gehouden. [4] Van een financieel belang is bij die zaken gelet daarop geen sprake. De Raad volstaat ook in zoverre met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
4.10.5.
In aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank misbruik van procesrecht aangenomen en dat oordeel wordt bevestigd. Bij misbruik van recht is in beginsel geen sprake van spanning en frustratie die recht geeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. [5] De Raad ziet geen reden om hier van dit uitgangspunt af te wijken. Het verzoek om een schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn wordt daarom afgewezen.
4.10.6.
In de zaak die aan de orde is in aangevallen uitspraak 3 is het bezwaarschrift ontvangen op 24 augustus 2023. De termijn van vier jaar is op het moment van deze uitspraak nog niet overschreden. Alleen al om die reden kan ook in deze zaak geen sprake zijn van een vergoeding van schadevergoeding.

Conclusie en gevolgen

4.11.
De hoger beroepen tegen de aangevallen uitspraken 1 en 2 slagen dus niet. De aangevallen uitspraken 1 en 2 worden bevestigd voor zover aangevochten. De Raad is niet bevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 3. Daarnaast worden de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.
5. Omdat de hoger beroepen niet slagen en de verzoeken om schadevergoeding worden afgewezen krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraken 1 en 2 voor zover aangevochten;
  • verklaart zich onbevoegd voor zover het hoger beroep betrekking heeft op aangevallen uitspraak 3;
  • wijst de verzoeken om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen in tegenwoordigheid van M.S. van Veller als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026.

(getekend) P.W. van Straalen

De griffier is verhinderd te ondertekenen

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1213.
2.Vergelijk de uitspraak van de Raad van 30 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1430.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1594.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2383 en de uitspraak van 12 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2408.
5.Vergelijk de uitspraak van 27 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4724.