ECLI:NL:CRVB:2024:2408
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in Wmo-procedure
Appellante maakte bezwaar tegen de afwijzing van een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Na een langdurige procedure stelde zij een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank wees dit verzoek af, stellende dat het financiële belang zeer gering was en de vergoeding feitelijk aan de gemachtigde toekwam.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij recht heeft op schadevergoeding en dat de rechtbank onterecht stelde dat de vergoeding aan haar gemachtigde toekomt. Tevens was zij het niet eens met de toegekende proceskostenvergoeding. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank terecht het verzoek om schadevergoeding afwees omdat het financiële belang gering was en de procedure zich alleen nog richtte op proceskosten en griffierecht.
De Raad bevestigde dat bij een gering financieel belang geen vergoeding van immateriële schade hoeft te worden toegekend, maar volstaan kan worden met de constatering van overschrijding van de redelijke termijn. Ook de proceskostenvergoeding werd door de Raad als juist beoordeeld. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd met verbetering van de gronden.
Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd met verbetering van de gronden.