ECLI:NL:CRVB:2026:246
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering verstrekking doelgroepverklaring loonkostenvoordeel wegens overschrijding aanvraagtermijn
Betrokkene trad op 12 juli 2022 in dienst bij werkgever en diende op 17 november 2022 een aanvraag in voor een doelgroepverklaring loonkostenvoordeel bij het UWV. Deze aanvraag werd afgewezen omdat deze niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van drie maanden na aanvang van de dienstbetrekking was ingediend. De rechtbank oordeelde dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom niet van deze termijn kon worden afgeweken en gaf betrokkene alsnog de doelgroepverklaring.
Het UWV ging in hoger beroep en stelde dat artikel 2.7, eerste lid, van de Wtl een dwingendrechtelijke termijn bevat waar niet van kan worden afgeweken, behalve bij bijzondere omstandigheden die hier niet aanwezig zijn. De Centrale Raad van Beroep volgde dit standpunt en vernietigde het vonnis van de rechtbank.
De Raad benadrukte dat de termijn van drie maanden bewust door de wetgever is gesteld om te voorkomen dat loonkostenvoordeel wordt toegekend aan dienstverbanden die ook zonder dat voordeel zouden zijn aangegaan. De tijdelijke coulanceregeling vanwege COVID-19 was niet van toepassing omdat de dienstbetrekking na de coulanceperiode was aangegaan.
Werkgever en betrokkene hadden bekend kunnen zijn met de strikte termijn en hadden tijdig moeten handelen. Er waren geen bijzondere omstandigheden die afwijking rechtvaardigden. De Raad verklaarde het beroep ongegrond en bepaalde dat het UWV het betaalde griffierecht aan betrokkene en werkgever vergoedt.
Uitkomst: Het UWV heeft terecht de doelgroepverklaring geweigerd wegens overschrijding van de dwingendrechtelijke aanvraagtermijn van drie maanden.