ECLI:NL:CRVB:2026:246

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
24/2634 WTL
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.7 WtlArt. 2.1 WtlArt. 2.6 WtlArt. 6:22 AwbArt. 8:58 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering verstrekking doelgroepverklaring loonkostenvoordeel wegens overschrijding aanvraagtermijn

Betrokkene trad op 12 juli 2022 in dienst bij werkgever en diende op 17 november 2022 een aanvraag in voor een doelgroepverklaring loonkostenvoordeel bij het UWV. Deze aanvraag werd afgewezen omdat deze niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van drie maanden na aanvang van de dienstbetrekking was ingediend. De rechtbank oordeelde dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom niet van deze termijn kon worden afgeweken en gaf betrokkene alsnog de doelgroepverklaring.

Het UWV ging in hoger beroep en stelde dat artikel 2.7, eerste lid, van de Wtl een dwingendrechtelijke termijn bevat waar niet van kan worden afgeweken, behalve bij bijzondere omstandigheden die hier niet aanwezig zijn. De Centrale Raad van Beroep volgde dit standpunt en vernietigde het vonnis van de rechtbank.

De Raad benadrukte dat de termijn van drie maanden bewust door de wetgever is gesteld om te voorkomen dat loonkostenvoordeel wordt toegekend aan dienstverbanden die ook zonder dat voordeel zouden zijn aangegaan. De tijdelijke coulanceregeling vanwege COVID-19 was niet van toepassing omdat de dienstbetrekking na de coulanceperiode was aangegaan.

Werkgever en betrokkene hadden bekend kunnen zijn met de strikte termijn en hadden tijdig moeten handelen. Er waren geen bijzondere omstandigheden die afwijking rechtvaardigden. De Raad verklaarde het beroep ongegrond en bepaalde dat het UWV het betaalde griffierecht aan betrokkene en werkgever vergoedt.

Uitkomst: Het UWV heeft terecht de doelgroepverklaring geweigerd wegens overschrijding van de dwingendrechtelijke aanvraagtermijn van drie maanden.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/2634 WTL, 24/2635 WTL
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 november 2024, 23/4720 en 23/5284 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
[werkgever] B.V. te [vestigingsplaats] (werkgever)
Datum uitspraak: 4 maart 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het Uwv aan betrokkene alsnog een doelgroepverklaring moet verstrekken, ondanks het feit dat betrokkene de aanvraag hiervoor te laat heeft ingediend. Het Uwv is tegen deze uitspraak in hoger beroep gekomen. Volgens het Uwv betreft de in artikel 2.7, eerste lid, van de Wtl opgenomen termijn een strikte termijn, waarvan alleen onder bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken. De Raad volgt het standpunt van het Uwv en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd om aan betrokkene een doelgroepverklaring te verstrekken.

PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld. Betrokkene en werkgever hebben een verweerschrift ingediend. Het Uwv en werkgever hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 januari 2026. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. van de Graaff . Namens betrokkene is verschenen zijn echtgenote [naam echtgenote] . Voor de werkgever zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] .

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Betrokkene is op 12 juli 2022 in dienst getreden bij werkgever. Op 17 november 2022 heeft betrokkene op grond van de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) bij het Uwv een aanvraag ingediend voor een doelgroepverklaring loonkostenvoordeel (doelgroepverklaring) voor werknemers met een arbeidsbeperking. Bij besluit van 1 maart 2023 (primaire besluit) heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat betrokkene de aanvraag niet heeft gedaan binnen drie maanden na aanvang van de dienstbetrekking. Betrokkene en werkgever hebben hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.
Bij de beslissing op bezwaar van 4 juli 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van betrokkene en werkgever tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen van betrokkene en werkgever gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het primaire besluit herroepen, bepaald dat het Uwv de doelgroepverklaring aan betrokkene moet afgeven binnen zes weken en dat de uitspraak in de plaats komt van het bestreden besluit. De rechtbank heeft ook bepalingen gegeven over de vergoeding van het door betrokkene en werkgever betaalde griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.
2.1.
Op grond van artikel 2.7, eerste lid, van de Wtl moet de doelgroepverklaring worden aangevraagd binnen drie maanden na aanvang van de dienstbetrekking. Dit betekent in het geval van betrokkene dat de aanvraag uiterlijk op 12 oktober 2022 had moeten zijn ingediend. De rechtbank heeft vastgesteld dat de aanvraag pas op 17 november 2022 en dus te laat is ingediend. Het Uwv heeft daarom op grond van artikel 2.7, eerste lid, van de Wtl de aanvraag afgewezen. Hoewel de tekst van de genoemde bepaling er wel op duidt dat het om een harde termijn gaat, betekent dat volgens de rechtbank niet dat daarvan onder geen enkele omstandigheid kan worden afgeweken. Zoals in de uitspraak van de rechtbank Limburg van 24 december 2021 [1] is beschreven, blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wtl dat het doel van de driemaandentermijn is dat wordt voorkomen dat achteraf nog een loonkostenvoordeel moet worden toegekend in gevallen waarin aannemelijk is dat het dienstverband ook zonder vooruitzicht op een loonkostenvoordeel tot stand zou zijn gekomen. Achtergrond hiervan is dat bij een reeds langer lopende dienstbetrekking waarvoor pas na meer dan drie maanden een doelgroepverklaring wordt aangevraagd, aannemelijk is dat deze dienstbetrekking ook zou zijn aangegaan zonder de toekenning van een loonkostenvoordeel. Een loonkostenvoordeel draagt dan niet bij aan de doelstelling om de in hoofdstuk II van de Wtl genoemde doelgroepen gemakkelijker aan het werk te helpen. Dat betekent echter niet zonder meer dat er niet een zekere ruimte is om van die termijn af te wijken. Het is dan aan het Uwv om op basis van alle van belang zijnde feiten en omstandigheden en met inachtneming van alle belangen van zowel betrokkene als werkgever alsmede met het belang van de uitvoerbaarheid van de wetgeving, te beoordelen of die ruimte om af te wijken al dan niet wordt benut. De rechtbank heeft vastgesteld dat het Uwv deze afweging niet heeft gemaakt. De rechtbank heeft zich vervolgens uitgelaten over de vraag welk gevolg hieraan moet worden gegeven.
2.2.
De rechtbank hecht veel waarde aan het belang dat wordt nagestreefd met de Wtl en de doelgroepverklaring en acht het zeer waardevol dat Nederland over dergelijke regelingen beschikt. De rechtbank hecht eveneens veel waarde aan de verklaringen die namens betrokkene en werkgever ter zitting zijn gedaan, waaruit blijkt dat zij werknemers met een afstand tot de arbeidsmarkt ook een kans willen geven. Werkgever heeft verder ter zitting toegelicht dat betrokkene zonder doelgroepverklaring niet zou zijn aangenomen. Uit deze toelichting is naar het oordeel van de rechtbank af te leiden dat aanwezigheid van de doelgroepverklaring voor werkgever essentieel is en dat er hier geen sprake is van een situatie waarin iemand ook zonder doelgroepverklaring zou zijn aangenomen. Uit alle moeite die de werkgever heeft gestoken in het aannemen van betrokkene – ervan uitgaande dat hij in aanmerking zou komen voor een doelgroepverklaring – en het feit dat betrokkene nog steeds werkzaam is bij werkgever, heeft de rechtbank geconcludeerd dat het werkgever ernst is bij het aannemen van mensen met een arbeidsbeperking. Om die reden, om de achtergrond van de Wtl recht te doen en wegens de geringe overschrijding van de termijn, had het Uwv naar het oordeel van de rechtbank aanleiding moeten zien om van de strikte toepassing van de aanvraagtermijn in de Wtl af te wijken. De rechtbank is daarom van oordeel dat er naar aanleiding van de aanvraag een doelgroepverklaring had moeten worden verstrekt. Daarom kan het bestreden besluit geen stand houden en heeft de rechtbank zelf voorzien in de zaak en bepaald dat het Uwv aan betrokkene de doelgroepverklaring moet verstrekken.
Het standpunt van het Uwv
3. Het Uwv is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Het Uwv heeft benadrukt dat artikel 2.7, eerste lid, van de Wtl een dwingendrechtelijke bepaling is met een strikte termijn van drie maanden. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever deze strikte termijn bewust zo heeft bepaald. Er dient dan ook terughoudend te worden omgegaan met afwijking van deze termijn. Volgens het Uwv zijn de door de rechtbank gehanteerde overwegingen, op grond waarvan zij ruimte aanwezig heeft geacht om toch te kunnen afwijken van deze termijn, onvoldoende en missen zij voldoende onderbouwing. Weliswaar is er in de periode van 1 januari 2020 tot 1 oktober 2020 een ruimere termijn van zes maanden gehanteerd, [2] maar dat hield verband met de toentertijd geldende maatregelen in verband met Covid-19. Die uitzondering is hier niet van toepassing omdat de aanvraag van betrokkene is ingediend op 17 november 2022.
Het standpunt van betrokkene en werkgever
4. Betrokkene en werkgever kunnen zich geheel verenigen met de aangevallen uitspraak en hebben bevestiging van die uitspraak bepleit. Werkgever heeft daarnaast enkele processuele bezwaren naar voren gebracht, welke hierna zullen worden besproken.

Het oordeel van de Raad

5. Op verzoek van de Raad heeft het Uwv op 13 januari 2026 onder meer twee brieven van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in geding gebracht. Werkgever heeft ter zitting betoogd dat deze stukken zijn ingebracht met overschrijding van de in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vermelde termijn van tien dagen binnen welke termijn partijen voor de zitting stukken kunnen indienen. De Raad ziet in dit geval geen aanleiding om deze stukken buiten beschouwing te laten. Daarbij is in aanmerking genomen dat de omvang van deze stukken gering is, werkgever kennis heeft genomen van deze stukken en daarop ter zitting heeft kunnen reageren. Van strijd met de goede procesorde is geen sprake.
5.1.
Werkgever heeft verder betoogd dat het bestreden besluit niet op correcte wijze tot stand is gekomen, omdat dit klaarblijkelijk door of namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is genomen, terwijl in deze zaak het Uwv het bevoegde bestuursorgaan is. Uit de gedingstukken blijkt echter dat het Uwv het bestreden besluit heeft bekrachtigd en aldus dit besluit voor zijn rekening heeft genomen. Met de bekrachtiging van dit besluit heeft het Uwv dit bevoegdheidsgebrek hersteld. Dit gebrek wordt daarom met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb gepasseerd. Aannemelijk is dat werkgever en betrokkene daardoor niet zijn benadeeld.
5.2.
De wettelijke bepalingen die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.3.
In hoger beroep is in geschil of het Uwv terecht heeft geweigerd om aan betrokkene een doelgroepverklaring te verstrekken omdat betrokkene deze te laat, want buiten de geldende termijn van drie maanden na aanvang van zijn dienstbetrekking, heeft aangevraagd.
5.4.
De Raad heeft in zijn uitspraak van 8 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:918 overwogen dat artikel 2.7, eerste lid, van de Wtl een dwingendrechtelijke bepaling betreft voor wat betreft de termijn waarbinnen een aanvraag doelgroepverklaring moet worden ingediend. Dit betekent dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, er voor het Uwv geen – al dan niet discretionaire – ruimte is om een belangenafweging te maken en eventueel van deze bepaling af te wijken. De rechtbank heeft daarom een onjuiste maatstaf gehanteerd.
5.5.
De aanvraagtermijn voor een doelgroepverklaring vloeit dwingend voort uit een wet in formele zin. Naar de huidige stand van de rechtsontwikkeling staat het toetsingsverbod van artikel 120 van Pro de Grondwet in zijn algemeenheid in de weg aan toetsing aan algemene rechtsbeginselen zoals het evenredigheidsbeginsel. Dit is slechts anders indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, waardoor aanleiding kan bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepalingen leidt. Dat is het geval indien die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepalingen zozeer in strijd zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. [3]
5.6.
In dit geval zijn er geen bijzondere omstandigheden af te leiden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Uit de wetsgeschiedenis [4] blijkt dat de termijnstelling in artikel 2.7, eerste lid, van de Wtl een bewuste keuze is geweest van de wetgever met als doel om te voorkomen dat achteraf een loonkostenvoordeel wordt toegekend in gevallen waarin aannemelijk is dat de arbeidsovereenkomst ook zonder vooruitzicht op loonkostenvoordeel tot stand zou zijn gekomen.
5.7.
Werkgever heeft ter zitting bij de rechtbank verklaard dat het voor het in dienst nemen van betrokkene essentieel was dat hij een doelgroepverklaring zou krijgen in verband met het ontvangen van de tegemoetkoming in de loonkosten. Het had het dan voor de hand gelegen dat werkgever zich bij aanvang van de dienstbetrekking of in ieder geval zo snel mogelijk daarna op de hoogte had gesteld van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een loonkostenvoordeel, waaronder de termijn waarbinnen de doelgroepverklaring door betrokkene moest worden aangevraagd. Daarbij wordt erop gewezen dat werkgever een kopie heeft ontvangen van het besluit van het Uwv van 5 juli 2022, waarbij betrokkene een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen per 6 juli 2022 werd geweigerd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. In dat besluit heeft het Uwv betrokkene er uitdrukkelijk op gewezen dat zijn nieuwe werkgever misschien een loonkostenvoordeel voor hem zou kunnen krijgen, dat hij daarvoor wel aan een aantal voorwaarden moet voldoen en dat hij die voorwaarden kan lezen op www.uwv.nl /lkv. Werkgever en betrokkene hadden dus bekend kunnen zijn met de strikte termijn van drie maanden na aanvang van de dienstbetrekking waarbinnen de doelgroepverklaring door betrokkene moest worden aangevraagd en daarnaar kunnen handelen. Van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan het Uwv in dit geval van de driemaandentermijn had moeten afwijken is geen sprake.
5.8.
Ook het feit dat sprake was van een – volgens werkgever en betrokkene – betrekkelijk geringe overschrijding van de aanvraagtermijn levert geen bijzondere omstandigheid op. Zoals hiervoor al is overwogen blijkt uit de wetsgeschiedenis dat de termijnstelling in artikel 2.7, eerste lid, van de Wtl juist een bewuste keuze van de wetgever is geweest.
5.9.
Uit de gedingstukken komt naar voren dat het Uwv, op verzoek van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in verband met de uitbraak van het coronavirus tijdelijk een coulanceregeling heeft getroffen. Gebleken was dat werkgevers in die periode problemen ondervonden met het op tijd aanvragen van de doelgroepverklaringen, bijvoorbeeld omdat de bedrijfskantoren dicht zaten en werknemers geen fysieke handtekening konden zetten onder een machtiging voor hun werkgever om een doelgroepverklaring aan te vragen. Deze coulanceregeling hield in dat voor alle doelgroepverklaringen die werden aangevraagd voor dienstverbanden die zijn gestart tussen 1 januari 2020 en 1 oktober 2020 een termijn van zes maanden in plaats van drie maanden na indiensttreding is gehanteerd. Hiermee werd ervoor gezorgd dat werkgevers door de coronacrisis geen loonkostenvoordeel zouden mislopen, welke zou kunnen oplopen tot een bedrag van € 18.000,- per werknemer over een periode van drie jaar. Het Uwv heeft er terecht op gewezen dat deze coulanceregeling in het geval van betrokkene niet van toepassing is. De dienstbetrekking met betrokkene is immers pas na afloop van de coulanceregeling aangegaan. Voor alle doelgroepverklaringen die zijn aangevraagd voor dienstbetrekkingen die zijn gestart op of na 1 oktober 2020 gold weer de normale termijn van drie maanden.
5.10.
Bij het bestreden besluit is dan ook terecht de weigering om een doelgroepverklaring te verstrekken gehandhaafd. De rechtbank had de beroepen ongegrond moeten verklaren.

Conclusie en gevolgen

5.11.
Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd en de beroepen worden alsnog ongegrond verklaard.
6. Gelet op de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb zouden werkgever en betrokkene recht hebben op een vergoeding van hun proceskosten, maar van proceskosten is niet gebleken. Werkgever en betrokkene krijgen wel het door hen in beroep betaalde griffierecht terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart de beroepen tegen het bestreden besluit van 4 juli 2023 ongegrond;
- bepaalt dat het Uwv het door betrokkene in beroep betaalde griffierecht van € 50,- vergoedt;
- bepaalt dat het Uwv het door werkgever in beroep betaalde griffierecht van € 365,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en G.C. Boot en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) S.P.A. Elzer

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 2.1 Wtl
Een werkgever kan in de loonaangifte een verzoek doen voor de volgende tegemoetkomingen:
(...) b. loonkostenvoordeel arbeidsgehandicapte werknemer; (...) waarbij een uiterlijk op de in artikel 4.1, tweede of zevende lid, bedoelde datum van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft ingediend correctiebericht wordt opgevat als een in de loonaangifte gedaan verzoek.
Artikel 2.6, eerste en tweede lid, van de Wtl
1. Een werkgever die een verzoek als bedoeld in artikel 2.1 heeft gedaan, heeft recht op een loonkostenvoordeel arbeidsgehandicapte werknemer indien bij deze werkgever een werknemer in een of meerdere dienstbetrekkingen is die:
a. in de maand voorafgaand aan de aanvang van de dienstbetrekking:
1°. recht had op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen; of
2° arbeidsgehandicapte als bedoeld in artikel 2 van Pro de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten zou zijn geweest in verband met het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen indien dat artikel niet zou zijn ingetrokken en tevens voor 1 januari 2006 arbeidsgehandicapte was op grond van dat artikel.
b. niet op enig moment in de periode van zes maanden voorafgaand aan de datum van indiensttreding in dienstbetrekking bij de werkgever is geweest; en
c. een geldige doelgroepverklaring als bedoeld in artikel 2.7 aan de werkgever heeft verstrekt.
2. Bij de toepassing van het eerste lid met betrekking tot een werknemer die binnen vijf jaar na de eerste dag na afloop van de wachttijd, bedoeld in artikel 23 van Pro de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, of na afloop van het tijdvak, bedoeld in artikel 24 of Pro 25, negenede lid, van die wet of na afloop van het tijdvak, bedoeld in artikel 629, elfde lid, onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel van het tijdvak, bedoeld in artikel 76a, zesde lid, onderdeel a, van de Ziektewet, in dienstbetrekking werkzaamheden gaat verrichten bij een werkgever en die:
a. volgens een arbeidskundig onderzoek op de dag, bedoeld in de aanhef, minder dan 35% arbeidsongeschikt is en niet in staat is tot het verrichten van arbeid bij de werkgever waarbij de werknemer op die dag in dienstbetrekking was; en
b. op de eerste dag van elf weken voorafgaand aan de dag, bedoeld in onderdeel a, geen dienstbetrekking had met een andere werkgever dan de werkgever, bedoeld in onderdeel a, en nog bij die werkgever in dienstbetrekking is, tenzij de dienstbetrekking met die andere werkgever reeds bestond op de eerste dag van de wachttijd, bedoeld in de aanhef; is de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, niet van toepassing.
Artikel 2.7, eerste en derde lid, van de Wtl
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt uitsluitend aan degene die een dienstbetrekking met een werkgever aangaat en, met inachtneming van artikel 2.6, derde tot en met vijfde lid, voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onderdelen a en b, of aan de voorwaarden, bedoel in artikel 2.6, tweede lid, op diens verzoek een verklaring dat de aanvrager aan de genoemde voorwaarden voldoet. Indien de doelgroepverklaring niet kan worden verstrekt, wordt het besluit tot weigering uitsluitend verstrekt aan de aanvrager van de doelgroepverklaring. De doelgroepverklaring wordt aangevraagd binnen drie maanden na aanvang van de dienstbetrekking. Bij regeling van Onze Minister van Financiën kunnen, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, nadere regels worden gesteld met betrekking tot de geldigheid van de doelgroepverklaring, bedoeld in de eerste volzin.
2. ()
3. De werkgever bewaart de doelgroepverklaring, bedoeld in het eerste lid, bij de loonadministratie.

Voetnoten

1.Rb. Limburg 24 december 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:9902.
2.Zie hiervoor de brieven van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 april 2020 (2020-0000041951) en 11 juni 2020 (2020-0000078660).
3.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772, r.o. 9.11 e.v.