Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:23

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
23/1587 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:42 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking Ziektewet-uitkering wegens ontbreken gezagsverhouding

Appellant was ziekgemeld vanuit een dienstbetrekking bij een bedrijf en ontving vanaf 1 augustus 2019 een Ziektewet-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering omdat appellant meer dan 65% van zijn oude loon kon verdienen. Na een fraudemelding vanuit het Regionaal Informatie en Expertise Centrum (RIEC) voerde het UWV een eigen onderzoek uit en concludeerde dat er sprake was van een gefingeerde dienstbetrekking zonder gezagsverhouding, waardoor appellant niet als werknemer kon worden aangemerkt.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en handhaafde het besluit van het UWV. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het procesdossier incompleet was omdat het UWV de RIEC-stukken niet had ingebracht, wat volgens hem in strijd was met artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV niet verplicht was deze stukken in te brengen omdat zij niet ter beschikking stonden van het bestuursorgaan en het UWV een eigen onderzoek had verricht.

Verder stelde appellant dat hij wel een leidinggevende functie had, maar dit werd niet gevolgd omdat zijn eigen verklaringen en het onderzoek van het UWV dit tegenspraken. De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de intrekking van de ZW-uitkering per 1 augustus 2019. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: De intrekking van de Ziektewet-uitkering per 1 augustus 2019 wordt bevestigd wegens het ontbreken van een gezagsverhouding.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 april 2023, 22/2817 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 14 januari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 1 augustus 2019 heeft ingetrokken. Volgens appellant heeft het Uwv niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken ingebracht in het procesdossier. De Raad volgt dit standpunt niet. De intrekking van de ZW-uitkering blijft in stand.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T. Khidous hoger beroep ingesteld. Mr. N. Idrissi, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 december 2025. Appellant heeft op 2 december 2025 om 16.32 uur verzocht om uitstel van de zitting. De Raad heeft dit verzoek afgewezen. Appellant is in de gelegenheid gesteld om via videoverbinding aan de zitting deel te nemen. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. I.M. Veringmeier.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant is per 21 juni 2019 ziekgemeld vanuit een dienstbetrekking bij [naam bedrijf] ( [naam bedrijf] ). Het dienstverband is per 1 augustus 2019 beëindigd. Het Uwv heeft appellant met ingang van 1 augustus 2019 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Bij besluit van 4 juni 2020 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant per 20 juli 2020 beëindigd, omdat hij meer dan 65% kon verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
1.2.
Naar aanleiding van een fraudemelding van 17 december 2020 vanuit het Regionaal Informatie en Expertise Centrum (RIEC) heeft het Uwv onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant betaalde uitkering. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een onderzoeksrapport van 7 juli 2021. In dit rapport is geconcludeerd dat sprake is van een gefingeerde dienstbetrekking van appellant bij [naam bedrijf] .
1.3.
Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 6 augustus 2021 de ZW-uitkering van appellant geweigerd (lees: ingetrokken) per 1 augustus 2019. Volgens het Uwv heeft appellant wel arbeid verricht, maar is geen sprake geweest van een gezagsverhouding tussen hem en [naam bedrijf] . Daarom kon hij niet worden aangemerkt als werknemer en is hij niet verzekerd voor de ZW.
1.4.
Bij besluit van 19 mei 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv op basis van het rapport van 7 juli 2021 terecht heeft geconcludeerd dat er geen sprake was van een gezagsverhouding tussen appellant en [naam bedrijf] . Uit het onderzoek van het Uwv is onder meer gebleken dat op 1 juli 2013 [naam B.V.1] ( [naam B.V.1] ) is opgericht, met appellant als enig aandeelhouder en bestuurder. [naam B.V.1] beheerde onder meer [naam B.V.2] ( [naam B.V.2] ), een autogarage. Appellant heeft onder meer verklaard dat hij de feitelijk leidinggevende en eindverantwoordelijk was bij [naam B.V.2] . Op 12 september 2017 is de onderneming overgegaan naar [naam bedrijf] , met als vennoten [naam zus appellant] (de zus van appellant) en [naam] , maar nog steeds handelend onder de naam [naam B.V.2] . Appellant is binnen [naam bedrijf] / [naam B.V.2] blijven werken. Appellant heeft verklaard dat hij tijdens zijn dienstbetrekking binnen [naam bedrijf] / [naam B.V.2] het personeel aanstuurde en de beslissingen over de aankopen van auto’s en materialen zelf nam. Dit vindt bevestiging in het feit dat appellant vanaf zijn privébankrekening verschillende bedragen heeft overgeboekt van en naar een groot aantal autobedrijven. Dit gebeurde zowel tijdens de periode van de gestelde dienstbetrekking bij [naam bedrijf] , als tijdens de ZW-uitkering vanaf 1 augustus 2019. Daarbij komt dat de zus van appellant in die periode fulltime heeft gewerkt bij [naam B.V.3] Zowel appellant, als de zus van appellant, hebben geen gehoor gegeven aan het verzoek van het Uwv om mee te werken aan een nader onderzoek. Appellant heeft ook geen tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aangeleverd op grond waarvan aannemelijk kan worden geacht dat de conclusie van het Uwv onjuist is.
2.2.
De rechtbank heeft appellant ook niet gevolgd in zijn betoog dat het Uwv stukken van de zogeheten RIEC-casus [1] had moet inbrengen in het procesdossier. Het Uwv heeft naar aanleiding van de melding vanuit het RIEC een eigen onderzoek ingesteld en het Uwv is op grond daarvan tot het bestreden besluit gekomen. Dit eigen onderzoek heeft bestaan uit het raadplegen van de Uwv-systemen, Suwinet, de Kamer van Koophandel, bankgegevens en een gesprek met appellant zelf. Met de resultaten van dit onderzoek heeft het Uwv aannemelijk gemaakt dat appellant ten tijde van belang geen dienstbetrekking in de zin van de ZW heeft vervuld. Daarom was het Uwv niet gehouden stukken van het RIEC in te brengen in het procesdossier.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens.
3.1.
Volgens appellant is het procesdossier incompleet. Het Uwv had ook de stukken van het RIEC, waaronder e-mailberichten en de (volledige) politiemutaties over het politiebezoek aan appellant, aan de bestuursrechter moeten zenden. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het Uwv deze stukken niet hoefde in te brengen. Dit is in strijd met artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.2.
Verder heeft appellant aangevoerd dat uit een e-mailbericht van 17 augustus 2024 van [naam] blijkt dat appellant geen leidinggevende functie heeft gehad.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

Verzoek om uitstel van de zitting
5.1.
Gemachtigde van appellant heeft op 2 december 2025 om 16.32 uur verzocht om uitstel van de zitting van 3 december 2025. Dit in verband met acute gezondheidsklachten van appellant waardoor hij niet in staat is de zitting in persoon bij te wonen. Op 2 december 2025 is aan (de gemachtigde van) appellant telefonisch de mogelijkheid geboden de zitting via een online beeld-/belverbinding bij te wonen. Van dit aanbod is geen gebruik gemaakt. De Raad heeft het verzoek om uitstel vervolgens afgewezen. De gemachtigde van appellant is daarop niet ter zitting verschenen en zij was gedurende de zitting telefonisch ook niet bereikbaar voor overleg. Appellant is niet opgeroepen om in persoon te verschijnen. Dat appellant verhinderd was om medische redenen neemt niet weg dat zijn gemachtigde wel op de zitting had kunnen verschijnen om het verzoek om uitstel desgewenst toe te lichten. De Raad heeft onder deze omstandigheden geen reden gezien om het onderzoek ter zitting te schorsen dan wel het onderzoek na zitting te heropenen.
Intrekking ZW-uitkering
5.2.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de intrekking van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten. Dit doet de Raad aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.3.
In hoger beroep is in geschil of het procesdossier compleet is, nu het Uwv geen stukken van het RIEC aan de bestuursrechter heeft gezonden. Het gaat daarbij om de vraag of deze stukken moeten worden aangemerkt als op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb.
5.4.
Artikel 8:42, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter zendt. Het bestuursorgaan is niet gehouden alle stukken die op de betrokkene(n) van toepassing zijn aan de bestuursrechter te zenden, maar slechts die stukken die ter beschikking staan of hebben gestaan van het bestuursorgaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. Tot de door het bestuursorgaan over te leggen stukken behoren niet stukken die zich bevinden onder derden en die niet aan het bestuursorgaan zijn verstrekt, ook al is dit bestuursorgaan bekend met het bestaan daarvan. [2]
5.5.
Het Uwv heeft ter zitting nader toegelicht dat het Uwv betrokken is geweest bij een RIEC-casus waarin meerdere zaken zijn besproken en waarin appellant ook voorkwam. Daaropvolgend is een fraudemelding gedaan, waarbij een gesprek van de politie met appellant op 12 juni 2018 en een bezoek van de politie aan [naam B.V.2] op 23 oktober 2018, waarbij ook met appellant is gesproken, is weergegeven. De fraudemelding, die aanleiding is geweest voor het onderzoek, is daarmee volgens het Uwv op dezelfde manier behandeld als bijvoorbeeld een anonieme fraudemelding door een burger.
5.6.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb niet gehouden was de RIECstukken in te brengen. Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd betwist dat de RIECstukken ter beschikking hebben gestaan aan de themaonderzoeker die het onderzoek heeft gedaan of aan andere bij de besluitvorming betrokken medewerkers. [3] Het Uwv heeft naar aanleiding van die fraudemelding een eigen onderzoek verricht en op basis van uitsluitend de eigen onderzoeksbevindingen het bestreden besluit genomen. Hieruit volgt dat de RIEC-stukken niet behoren tot de op de zaak betrekking hebbende stukken.
5.7.
Appellant heeft tot slot een e-mailbericht van een van de vennoten van [naam bedrijf] in het geding gebracht. Daarin staat dat appellant geen leidende functie had, maar alleen de functie van werkplaatschef. Voor zover appellant daarmee wil aantonen dat er wel sprake was van een gezagsverhouding tussen hem en [naam bedrijf] doet de enkele mededeling in die email niet af aan appellants eigen verklaringen tegenover de themaonderzoeker op 8 juni 2021 en de overige onderzoeksbevindingen van het Uwv.

Conclusie en gevolgen

5.8.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de intrekking van de ZW-uitkering van appellant per 1 augustus 2019 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en S.B. Smit-Colenbrander en W.R. van der Velde als leden, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) S.P.A. Elzer
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van de begrippen verzekerde, werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

Voetnoten

1.RIEC staat voor Regionaal Informatie en Expertise Centrum.
2.Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, en de uitspraak van de Raad van 18 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2975.
3.Zie onder andere het arrest van de Hoge Raad van 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, r.o. 3.4.2.