ECLI:NL:CRVB:2026:228
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WW-uitkering wegens gefingeerde dienstverbanden
Appellant had een WW-uitkering toegekend gekregen op basis van dienstverbanden bij twee werkgevers, [werkgever B.V. 1] en [werkgever B.V. 2]. Het UWV stelde na een intern onderzoek vast dat deze dienstverbanden gefingeerd waren en trok de uitkeringen met terugwerkende kracht in, gevolgd door terugvordering van het onverschuldigd betaalde bedrag.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld, geen sprake was van vooringenomenheid of schending van privacy, en dat appellant onvoldoende tegenbewijs had geleverd. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek was ingegeven door institutionele vooringenomenheid en dat zijn privacyrechten waren geschonden, en stelde dat er wel degelijk sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank. Het UWV heeft aannemelijk gemaakt dat er geen dienstverband bestond en dat het onderzoek zorgvuldig en zonder vooringenomenheid is uitgevoerd. De Raad oordeelt dat het recht op privéleven niet is geschonden omdat bankafschriften niet zijn gebruikt in de besluitvorming. Ook is geen dringende reden aangetoond om af te zien van intrekking en terugvordering. Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking en terugvordering blijven in stand.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de WW-uitkering worden bevestigd wegens het ontbreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.