ECLI:NL:CRVB:2018:3205
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Subsidiariteit en proportionaliteit bij opvragen bankafschriften in WW-intrekkingszaak
Appellant ontving vanaf 1 februari 2013 een WW-uitkering die het UWV op grond van vermoedens over zijn verblijfplaats op Curaçao introk en terugvordering instelde. Het UWV had bankafschriften van appellant rechtstreeks bij banken opgevraagd zonder hem eerst in de gelegenheid te stellen deze gegevens zelf te verstrekken, terwijl het vermoeden bestond dat appellant sinds maart 2013 op Curaçao woonde.
Appellant voerde aan dat het opvragen van bankafschriften onrechtmatig was, omdat banken niet verplicht zijn gegevens te verstrekken volgens de Wet SUWI en het UWV niet had voldaan aan het subsidiariteitsbeginsel. De rechtbank had het standpunt van het UWV gevolgd en het beroep ongegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het opvragen van bankafschriften een inbreuk vormt op het recht op privacy zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro en dat deze inbreuk alleen is toegestaan indien zij voldoet aan wettelijke grondslag, noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Het UWV had eerst minder ingrijpende middelen moeten inzetten, zoals het horen van appellant en het vragen om vrijwillige medewerking.
De Raad stelt vast dat het UWV onterecht is afgeweken van zijn gebruikelijke procedure en dat het rechtstreeks opvragen van bankafschriften zonder medeweten van appellant en met onjuiste mededelingen aan de banken onrechtmatig is. Hierdoor is het bewijs onrechtmatig verkregen en mag het niet worden gebruikt. Het bestreden besluit is daarom onvoldoende gemotiveerd en het UWV wordt opgedragen dit te herstellen.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit te herstellen omdat het onrechtmatig bankafschriften heeft opgevraagd en het bewijs daardoor onrechtmatig is verkregen.