In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 8 januari 2026 uitspraak gedaan in het hoger beroep van appellant tegen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) en de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid). De zaak betreft een proceskostenveroordeling en een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Appellant had eerder hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 januari 2022. Tijdens de procedure heeft het Uwv op 16 oktober 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarna appellant zijn hoger beroep heeft ingetrokken en verzocht om vergoeding van proceskosten en schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn. De Raad heeft vastgesteld dat de redelijke termijn in deze procedure met twee jaar en zes maanden is overschreden, wat leidt tot een schadevergoeding van € 2.500,-. De Raad heeft de Staat veroordeeld tot betaling van € 1.083,33 en het Uwv tot betaling van € 416,67 aan appellant. Daarnaast is het Uwv veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 9.144,52, en dient het Uwv ook het griffierecht van € 136,- te vergoeden. De uitspraak is openbaar uitgesproken en ondertekend door de rechter en griffier.