Appellant stelde hoger beroep in tegen een beslissing van het UWV inzake WAJONG, waarbij de Raad de zaak op 11 januari 2024 behandelde. Het UWV nam op 16 oktober 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar, waarna appellant het hoger beroep introk en verzocht om proceskostenvergoeding en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad beoordeelde de redelijke termijn conform het EVRM en concludeerde dat de totale procedure van zes jaar en zes maanden de redelijke termijn met twee jaar en zes maanden overschreed. De overschrijding werd verdeeld tussen de Staat en het UWV, waarbij de Staat werd veroordeeld tot een vergoeding van €1.083,33 en het UWV tot €416,67.
Daarnaast werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant, begroot op €9.144,52, inclusief vergoeding van griffierecht. De Staat werd eveneens veroordeeld in een deel van de proceskosten gerelateerd aan het verzoek om schadevergoeding. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 8 januari 2026.