ECLI:NL:CRVB:2026:187

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
24/2413 WSFBSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.14 Wsf 2000Art. 6 Bsf 2000Art. 7 Bsf 2000Art. 4:17 AwbArt. 4:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing dwangsommen wegens niet tijdig beslissen bevestigd ondanks procedurefout rechtbank

Appellanten vroegen in maart 2022 om loskoppeling van het ouderlijk inkomen bij de aanvullende beurs vanwege een ernstig conflict met hun ouders. Na ingebrekestelling besloot de minister binnen twee weken het verzoek af te wijzen. Appellanten maakten bezwaar tegen de afwijzing en tegen de weigering van dwangsommen wegens niet tijdig beslissen. De minister verklaarde de bezwaren ongegrond.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar besprak niet alle beroepsgronden van appellanten, wat in strijd is met de Awb. De Raad beoordeelde deze grond alsnog inhoudelijk en oordeelde dat de minister geen dwangsom verbeurd heeft omdat tijdig is beslist. Ook een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de totale procedure binnen vier jaar bleef.

Hoewel de rechtbank een beroepsgrond niet besprak, leidt dit niet tot vernietiging van de uitspraak. De Raad bevestigt de bestreden besluiten, bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt terugbetaald en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Appellanten kwamen niet in aanmerking voor vergoeding van verletkosten omdat zij niet op de zitting verschenen en geen bewijsstukken overlegden.

Uitkomst: De afwijzing van dwangsommen wegens niet tijdig beslissen wordt bevestigd en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/2413 WSF, 24/2414 WSF
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 11 september 2024, 22/3589 en 22/4032 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant 1] en [appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
Datum uitspraak: 19 februari 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat in de kern om de afwijzing van dwangsommen wegens niet tijdig beslissen. Appellanten hebben gelijk dat de rechtbank de tegen de afwijzing gerichte beroepsgrond ten onrechte niet heeft besproken. Inhoudelijk krijgen appellanten echter geen gelijk. De minister heeft na de ingebrekestellingen tijdig beslist. Dat appellanten vinden dat de gegeven besluiten onjuist zijn, maakt dat niet anders. Appellanten krijgen ook geen schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten hebben [naam 1] en [naam 2] , ouders van appellanten, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Appellanten hebben een nader stuk ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 november 2025. Appellanten zijn met kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellanten hebben in maart 2022 bij de minister een aanvraag ingediend om bij de vaststelling van de aanvullende beurs met ingang van 1 januari 2022 geen rekening te houden met het inkomen van hun ouders (verzoek om loskoppeling). Aan dit verzoek is ten grondslag gelegd dat appellanten een ernstig structureel conflict hebben met hun ouders, die erkend gedupeerden zijn in de toeslagenaffaire.
1.2.
Bij brieven van 18 mei 2022 hebben appellanten de minister in gebreke gesteld vanwege het niet-tijdig beslissen op het verzoek om loskoppeling en verzocht om binnen twee weken een beslissing op het verzoek te nemen.
1.3.
Met besluiten van 20 mei 2022 heeft de minister het verzoek om loskoppeling afgewezen. Appellanten hebben hiertegen bezwaar gemaakt.
1.4.
Met besluiten van 27 mei 2022 heeft de minister vastgesteld dat hij geen dwangsommen wegens niet tijdig beslissen aan appellanten verschuldigd is, omdat binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling is beslist op het verzoek. Appellanten hebben ook tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.
1.5.
Bij besluiten op bezwaar van 17 augustus 2022 (hierna gezamenlijk: bestreden besluiten 1) heeft de minister het bezwaar tegen de besluiten over het verzoek om loskoppeling ongegrond verklaard. Volgens de minister is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 3.14 van de Wsf 2000 [1] en de artikelen 6 en 7 van het Bsf 2000 [2] .
1.6.
Appellanten hebben tegen de bestreden besluiten 1 beroep ingesteld. Tijdens de beroepsprocedure heeft de minister bij besluiten van 20 oktober 2022 en 23 november 2022 (hierna gezamenlijk: bestreden besluiten 2) het bezwaar tegen de besluiten over de afwijzing van de dwangsommen ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten.
Het standpunt van appellanten
3. Appellanten zijn het met een deel van de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De (wettelijke) regels en de verdragsbepaling die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
De rechtbank heeft ten onrechte de beroepsgrond van appellanten niet besproken
4.1.
Appellanten hebben in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beslist op hun in beroep aangevoerde grond dat de minister hen een dwangsom is verschuldigd wegens niet tijdig beslissen. Dit is in strijd met artikel 8:69 van Pro de Awb [3] .
4.2.
Deze beroepsgrond slaagt. Het beroep van appellanten had op grond van artikel 4:19 van Pro de Awb mede betrekking op bestreden besluiten 2 en appellanten hebben daartegen ook een beroepsgrond aangevoerd. De rechtbank is in het geheel niet op deze grond ingegaan. Dat is in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb. Ter beoordeling van de vraag of dit gebrek tot vernietiging van de aangevallen uitspraak moet leiden, zal de Raad doen wat de rechtbank had moeten doen en de in beroep tegen de bestreden besluiten 2 onbesproken grond beoordelen.
De minister heeft geen dwangsom verbeurd
4.3.
Appellanten voeren aan dat de minister een dwangsom heeft verbeurd. Daarvoor vinden appellanten van belang dat het verzoek tot loskoppeling is afgewezen op een andere grond dan waarop hun verzoek gebaseerd was. Appellanten hebben het verzoek gedaan op grond van artikel 6, eerste lid, sub a van het Bsf 2000, terwijl het verzoek is afgewezen op grond van sub c van dat artikellid. Appellanten menen dat hierdoor sprake is van een weigering om te beslissen op het verzoek om loskoppeling en de minister daarom een dwangsom verschuldigd is.
4.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is redengevend dat met artikel 4:17 van Pro de Awb wordt beoogd de burger een rechtsmiddel te geven om het bestuursorgaan aan te sporen tot tijdige besluitvorming. Dat appellanten de besluiten inhoudelijk onjuist vinden staat los van de vraag of er tijdig is besloten. [4] In deze zaak heeft de minister na de ingebrekestellingen op 18 mei 2022 op 20 mei 2022 beslist op de verzoeken tot loskoppeling en deze afgewezen onder verwijzing naar artikel 3.14 van de Wsf 2000, zoals nader uitgewerkt in artikel 6 en Pro 7 van de Bsf 2000. Toepassing van artikel 3.14 van de Wsf 2000 leidt tot besluiten in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb, en deze besluiten zijn binnen twee weken na de ingebrekestelling gegeven. De minister heeft daarom geen dwangsommen verbeurd.
Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
4.5.
Appellanten hebben gevraagd om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. [5]
4.6.
Voor de wijze van beoordeling van een verzoek als dat van appellanten wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009 en het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016
. [6]
4.7.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.
4.8.
Het bezwaarschrift is ontvangen op 8 juni 2022. Gelet op de datum van deze uitspraak betekent dit dat nog geen vier jaar is verstreken voordat uitspraak is gedaan. Noch de zaken zelf, noch de opstelling van appellanten geven aanleiding voor het oordeel dat in dit geval van een andere lengte moet worden uitgegaan dan vier jaar. Dit betekent dat de redelijke termijn in deze zaak niet is overschreden.

Conclusie en gevolgen

4.9.
Weliswaar heeft de rechtbank een grond van appellanten ten onrechte niet besproken, maar dit leidt niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. De minister heeft immers terecht besloten dat hij geen dwangsommen heeft verbeurd en de rechtbank heeft door de bestreden besluiten 2 in stand te laten juist gehandeld. Gelet daarop moet de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden, worden bevestigd.
5. Gelet op 4.2 moet de minister het in hoger beroep betaalde griffierecht terugbetalen en de proceskosten die verband houden met het hoger beroep vergoeden. Appellanten hebben een proceskostenformulier aan de Raad gestuurd waarin zij een vergoeding voor verletkosten vragen. Het is vaste rechtspraak is dat onder verletkosten in de zin van artikel 1, onder e, van het Bbp [7] gemiste inkomsten en opbrengsten vanwege afwezigheid in verband met het bijwonen van de zitting moeten worden begrepen. [8] Overig tijdverzuim zoals het opstellen van stukken of het voorbereiden van de zitting vallen daar niet onder. [9] Nu van de zijde van appellanten niemand op de zitting is verschenen, komen zij niet voor een vergoeding van verletkosten in aanmerking, nog daargelaten het feit dat er geen bewijsstukken zijn overgelegd ter onderbouwing van deze kosten. De Raad is voor het overige geen proceskosten gebleken die voor vergoeding in aanmerking komen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • bepaalt dat de minister aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138,- vergoedt;
  • wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door A. Hoogenboom als voorzitter, in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.
(getekend) A. Hoogenboom
(getekend) M. Dafir
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:17
1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.
2 De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45,- per dag.
3 De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
(…)
Artikel 4:19
1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking op de aanvraag heeft mede betrekking op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
(...)
Artikel 8:69
1. De bestuursrechter doet uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.
2. De bestuursrechter vult ambtshalve de rechtsgronden aan.
3. De bestuursrechter kan ambtshalve de feiten aanvullen.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Artikel 6
1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.
(..)
Besluit proceskosten bestuursrecht
Artikel 1, aanhef en onder e
Een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk Pro een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan uitsluitend betrekking hebben op:
(…)
e. verletkosten van een partij of een belanghebbende,
(…)

Voetnoten

1.Wet studiefinanciering 2000.
2.Besluit studiefinanciering 2000.
3.Algemene wet bestuursrecht.
4.Zie de uitspraken van de Raad van 14 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1360, van 1 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3754 en van 24 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1414.
5.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
7.Besluit proceskosten bestuursrecht.
8.Uitspraak van de Raad van 18 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:746, r.o. 5.
9.Uitspraken van de Raad van 6 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1297, r.o. 4.4 en van 31 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:415, r.o. 5.