Appellanten vroegen in maart 2022 om loskoppeling van het ouderlijk inkomen bij de aanvullende beurs vanwege een ernstig conflict met hun ouders. Na ingebrekestelling besloot de minister binnen twee weken het verzoek af te wijzen. Appellanten maakten bezwaar tegen de afwijzing en tegen de weigering van dwangsommen wegens niet tijdig beslissen. De minister verklaarde de bezwaren ongegrond.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar besprak niet alle beroepsgronden van appellanten, wat in strijd is met de Awb. De Raad beoordeelde deze grond alsnog inhoudelijk en oordeelde dat de minister geen dwangsom verbeurd heeft omdat tijdig is beslist. Ook een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de totale procedure binnen vier jaar bleef.
Hoewel de rechtbank een beroepsgrond niet besprak, leidt dit niet tot vernietiging van de uitspraak. De Raad bevestigt de bestreden besluiten, bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt terugbetaald en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Appellanten kwamen niet in aanmerking voor vergoeding van verletkosten omdat zij niet op de zitting verschenen en geen bewijsstukken overlegden.