ECLI:NL:CRVB:2026:175

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
23/3231 ANW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 1 ANWArt. 6 ANWArt. 7 ANWArt. 13 ANW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herhaalde aanvraag ANW-uitkering wegens ontbreken duurzame band ingezetene

Appellante diende een herhaalde aanvraag in voor een ANW-uitkering na het overlijden van haar echtgenoot, welke door de Sociale Verzekeringsbank (Svb) werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die aanleiding gaven tot herziening van het eerdere besluit. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel.

De kern van het geschil betreft de vraag of de echtgenoot van appellante op het moment van overlijden verzekerd was voor de ANW en of hij als ingezetene van Nederland kan worden aangemerkt. Uit het dossier blijkt dat de echtgenoot sinds juli 2019 niet meer in de Basisregistratie Personen (BRP) stond ingeschreven en op het moment van overlijden in Turkije woonde. Appellante kon niet aannemelijk maken dat er een duurzame persoonlijke band met Nederland bestond.

Verder is vastgesteld dat de echtgenoot niet verzekerd was krachtens de Turkse wettelijke regeling, zodat ook op grond van het Verdrag tussen Nederland en Turkije geen aanspraak op een ANW-uitkering bestaat. Het beroep op discriminatie wegens nationaliteit faalt omdat het onderscheid tussen ingezetenen en niet-ingezetenen objectief gerechtvaardigd is.

De Raad concludeert dat de Svb terecht heeft geoordeeld dat er geen nieuwe feiten zijn en dat het bestreden besluit niet evident onjuist is. Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de herhaalde aanvraag blijft in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de herhaalde aanvraag om een ANW-uitkering wegens het ontbreken van een duurzame persoonlijke band met Nederland en verzekeringsrecht.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
23/3231 ANW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 oktober 2023, 23/4718 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 12 februari 2026

SAMENVATTING

Deze uitspraak gaat over de vraag of de Svb terecht de herhaalde aanvraag van appellante om toekenning van een ANW-uitkering heeft afgewezen. Volgens de Svb is er geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden en is het bestreden besluit niet evident onjuist. Met de rechtbank oordeelt de Raad dat de Svb de herhaalde aanvraag terecht heeft afgewezen. Appellante heeft ook voor de toekomst geen recht op een nabestaandenuitkering.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 november 2025. Voor appellante is mr. Küçükünal verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.G. Starreveld.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellante is op [datum 1] 2020 getrouwd. Haar echtgenoot is op [datum 2] 2020 overleden. Nadien heeft appellante een uitkering op grond van de ANW [1] aangevraagd. De Svb heeft die aanvraag afgewezen met een besluit van 29 maart 2021. Tegen dat besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt.
1.2.
Op 9 december 2022 heeft appellante een herhaalde aanvraag om een uitkering op grond van de ANW ingediend. Met een besluit van 28 december 2022 heeft de Svb de herhaalde aanvraag afgewezen.
1.3.
Tegen het besluit van 28 december 2022 heeft appellante bezwaar gemaakt, maar de Svb is met een besluit van 20 juli 2023 (bestreden besluit) gebleven bij de afwijzing van de herhaalde aanvraag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat wat appellante heeft aangevoerd geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn. De rechtbank is het eens met de Svb dat er geen reden is om aan te nemen dat het besluit van 29 maart 2021 onmiskenbaar onjuist is. Volgens de rechtbank is het niet evident onredelijk dat de Svb niet met terugwerkende kracht terugkomt van het besluit van 29 maart 2021. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat appellante geen recht heeft op een nabestaandenuitkering. De reden daarvan is volgens de rechtbank dat in Nederland de echtgenoot op het moment van zijn overlijden niet verplicht of vrijwillig verzekerd was voor de ANW en appellante ook op grond van bepalingen van internationaal recht geen recht heeft op die uitkering.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat appellante daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het standpunt van de Svb
3.2.
De Svb heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de herhaalde aanvraag om een ANW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Toetsingskader bij een verzoek om terug te komen van een rechtens onaantastbaar geworden besluit
4.2.
Appellante heeft de Svb verzocht om van het in rechte vaststaande besluit van 29 maart 2021 terug te komen, als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb [2] . Dit geding gaat over een duuraanspraak. Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat bij de toetsing van een besluit over een herhaalde aanvraag om een duuraanspraak een onderscheid moet worden gemaakt tussen de periode voorafgaand aan het verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit (het verleden) en de periode na het verzoek (de toekomst). [3]
4.3.
Wat betreft de toekomst moet een minder terughoudende toetsing worden gehanteerd. Daarbij zal het bij een duuraanspraak in de regel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen.
4.4.
Wat betreft het verleden dient de bestuursrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Als het bestuursorgaan beleid voert, toetst de bestuursrechter in de eerste plaats of het bestuursorgaan een juiste toepassing heeft gegeven aan zijn beleid. [4]
4.5.
De Svb voert het volgende beleid (SB1076). Voor zover het herzieningsverzoek ziet op de periode die ligt na de datum waarop de Svb het ontvangt, beoordeelt de Svb het verzoek op basis van de gronden die de belanghebbende aanvoert. Voor zover het herzieningsverzoek ziet op de periode die ligt voor de datum waarop de Svb het ontvangt, is de Svb bevoegd om het verzoek om herziening zonder nader onderzoek af te wijzen onder verwijzing naar het eerdere besluit, tenzij dit evident onredelijk is. De Svb verwijst hierbij naar artikel 4:6 van Pro de Awb en de rechtspraak van de Raad. [5] De Svb acht het evident onredelijk om zonder terugwerkende kracht terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit als de Svb uit hetgeen belanghebbende in zijn herzieningsverzoek aanvoert, concludeert dat dit besluit onmiskenbaar onjuist is.
Geen aanspraak op ANW-uitkering vanaf het verzoek van 9 december 2022
4.6.
Wat betreft de toekomst geldt dat de Svb met juistheid heeft geconcludeerd dat appellante geen aanspraak heeft op een ANW-uitkering.
4.7.
De Svb heeft bij de behandeling van de eerste aanvraag om een nabestaandenuitkering onderzocht of de echtgenoot van appellante op de dag van zijn overlijden verzekerd was voor de ANW. Dit was volgens de Svb niet het geval.
4.8.
Appellante heeft gesteld dat haar echtgenoot op de dag van overlijden verzekerd was voor de ANW omdat hij toen ingezetene van Nederland was. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.8.1.
Volgens vaste rechtspraak komt het er bij de beoordeling van het ingezetenschap op aan of de feiten en omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. [6] Omdat appellante de Svb heeft gevraagd om terug te komen van de eerdere afwijzing van haar aanvraag, ligt het op haar weg om aannemelijk te maken dat de echtgenoot op de dag van zijn overlijden een persoonlijke band van duurzame aard had met Nederland.
4.8.2.
Er zijn onvoldoende aanwijzingen om appellante te volgen in haar stelling dat haar echtgenoot op de dag van zijn overlijden ingezetene van Nederland was. Vast staat dat de echtgenoot van 2012 tot 2017 niet ingeschreven is geweest in de BRP [7] . Vanaf oktober 2017 was hij weer wel ingeschreven, op een adres in [plaats] . De Svb heeft gesteld, en appellante heeft niet betwist, dat de echtgenoot vanaf juli 2019 niet langer ingeschreven was in de BRP vanwege vertrek naar Turkije. Dit stemt overeen met het feit dat appellante op het aanvraagformulier ANW heeft verklaard dat haar echtgenoot van 1980 tot medio augustus 2019 in [plaats] heeft gewoond, en met het op de formulieren TH202 en TH203 opgegeven woonadres in Turkije van de echtgenoot op het moment van zijn overlijden in maart 2020. De informatie over de echtgenoot op diverse formulieren van het Turkse orgaan en in de correspondentie van appellante zelf rond het ANW-pensioen wijst dus niet op een woonplaats van de echtgenoot in Nederland, maar bevestigt dat hij op de dag van zijn overlijden in Turkije woonde.
4.8.3.
Appellante stelt dat de echtgenoot in 2019 een periode gedetineerd is geweest in Turkije en het voornemen had om terug te keren naar Nederland. Het dossier biedt hiervoor echter geen aanknopingspunten. Appellante heeft kennelijk willen stellen dat de echtgenoot in Nederland een woning heeft aangehouden. Naar het oordeel van de Raad is echter niet aannemelijk geworden dat deze woning na juli 2019, laat staan op de dag van zijn overlijden, nog tot zijn beschikking stond. De door appellante overgelegde huurgegevens betreffen namelijk de situatie in juni 2018, maar van de periode erna zijn geen huurgegevens beschikbaar. Uit de overige door appellante overgelegde stukken kan hoogstens worden afgeleid dat de echtgenoot in januari 2019 nog een (woon of correspondentie) adres in Nederland had.
4.8.3.
Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat er sprake was van een duurzame band van persoonlijke aard tussen de echtgenoot en Nederland op de dag van zijn overlijden. De echtgenoot was daarom op die dag niet verzekerd voor de ANW op grond van ingezetenschap.
4.9.
Op grond van artikel 22, derde lid, van het NTV [8] zou de echtgenoot geacht kunnen worden te hebben voldaan aan de voorwaarde van verzekering krachtens de ANW op de datum van zijn overlijden als hij op die datum verzekerd was krachtens de Turkse wettelijke regeling. [9] Dit is echter niet het geval. Dit blijkt uit de stukken die het Turkse orgaan heeft ingediend. Appellante kan daarom geen recht op een nabestaandenuitkering op grond van de ANW ontlenen aan het NTV.
4.10.
Uit 4.6 tot en met 4.9 volgt dat er geen reden is om het bestreden besluit van de Svb voor wat betreft de toekomst voor onjuist te houden.
Geen aanspraak op ANW-uitkering voorafgaand aan het verzoek van 9 december 2022
4.11.
Nu er geen reden is om het bestreden besluit voor de toekomst onjuist te achten, hoefde de Svb hiervan ook niet terug te komen voor het verleden.
Discriminatieverbod
4.12.
Appellante heeft gesteld dat het bestreden besluit blijk geeft van een ongerechtvaardigd onderscheid naar nationaliteit. Zij verwijst in dit verband naar het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit zoals dat is opgenomen in artikel 3 van Pro Besluit 3/80 en artikel 9 van Pro de Associatieovereenkomst. Ook wijst zij op verschillende artikelen van het NTV die bepalen dat de Turkse onderdanen onder dezelfde voorwaarden als Nederlandse onderdanen aanspraak hebben op de in dit verdrag genoemde sociale zekerheidsvoorzieningen. Deze grond slaagt niet.
4.13.
De Raad begrijpt het betoog van appellante aldus dat de discriminatie in dit geval zou voortvloeien uit de toepassing van KB 746 [10] , waarin de kring van verzekerden voor de volksverzekeringen is uitgebreid. Van deze uitbreiding van de kring van verzekerden zouden volgens appellante personen met de Nederlandse nationaliteit disproportioneel vaker profiteren dan personen met de Turkse nationaliteit, wat in haar visie indirecte discriminatie op grond van nationaliteit oplevert.
4.14.
De Raad stelt in de eerste plaats vast dat appellante deze stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Maar voor zover de stelling van appellante al juist is, wijst de Raad erop dat voor de beperking van de verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen tot ingezetenen volgens vaste rechtspraak een toereikende objectieve rechtvaardiging bestaat. In die rechtspraak is overwogen dat het onderscheid tussen ingezetenen en niet-ingezetenen aansluit bij de basisgedachte van een volksverzekering. Die gedachte houdt in dat de overheid van een land alleen sociale bescherming door middel van een verplichte verzekering biedt aan personen die door ingezetenschap een voldoende band hebben met dat land. In die visie berust de primaire verantwoordelijkheid voor de sociale bescherming van personen die buiten Nederland zijn gaan wonen, bij het nieuwe woon- en/of werkland. [11]
4.15.
Uit 4.6. tot en met 4.14 volgt dat de Svb de herhaalde aanvraag van appellante om een ANWuitkering terecht heeft afgewezen.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de herhaalde aanvraag in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en E.E.V. Lenos en J.P. Loof als leden, in tegenwoordigheid van M.S. van Veller als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2026.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
De griffier is verhinderd te ondertekenen
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van de begrippen woonplaats, verzekerde en ingezetene.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 1 Algemene Pro nabestaandenwet
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: (…)
d. nabestaande: de echtgenoot van degene, die op de dag van overlijden verzekerd is op grond van deze wet; (…).
Artikel 6 Algemene Pro nabestaandenwet
Ingezetene in de zin van deze wet is degene die in Nederland woont.
In artikel 7, eerste lid, Algemene nabestaandenwet
Waar iemand woont (…) wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
Artikel 13, eerste lid, Algemene nabestaandenwet
Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die
a. ingezetene is;
b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.
Artikel 14, eerste lid, Algemene nabestaandenwet
Recht op nabestaandenuitkering heeft de nabestaande die:
a. een ongehuwd kind heeft, dat jonger is dan 18 jaar en niet tot het huishouden van een ander behoort; of
b. arbeidsongeschikt is
1°. op en sedert de dag van overlijden van de verzekerde (…).
Artikel 63a, eerste lid, Algemene nabestaandenwet
De gewezen verzekerde kan zich vrijwillig verzekeren over een periode van tien jaar, met ingang van de dag na de dag waarop de verplichte verzekering is geëindigd. De eerste zin is alleen van toepassing indien de gewezen verzekerde direct voorafgaande aan de periode van vrijwillige verzekering ten minste een jaar verplicht verzekerd is geweest. (…)
Artikel 63a, derde lid, Algemene nabestaandenwet
De periode van maximaal tien jaar, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op: (…)
e. de gewezen verzekerde, die op de dag waarop de verplichte verzekering is geëindigd de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt, niet in Nederland woont en recht heeft op een: (…)
2º uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; (…).
Artikel 63c, eerste lid, Algemene nabestaandenwet
De vrijwillige verzekering, bedoeld in artikel 63a, eerste lid, eindigt: (…)
b. met ingang van de dag, waarop de periode van tien jaar, bedoeld in artikel 63a, eerste lid, is verstreken; (…).
Artikel 22, derde lid, Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid
Indien de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij, welke voor het verkrijgen en het vaststellen van het recht op uitkeringen generlei eisen stelt omtrent de duur van de verzekering, de toekenning ervan afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de werknemer op het tijdstip waarop de verzekerde gebeurtenis zich heeft voorgedaan verzekerd was ingevolge deze wettelijke regeling, wordt aan deze voorwaarde geacht te zijn voldaan indien de werknemer op dit tijdstip ingevolge de wettelijke regeling van de andere Partij verzekerd was.

Voetnoten

1.Algemene nabestaandenwet.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Zie de uitspraak van 8 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8262.
4.CRvB 3 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:881.
5.CRvB 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872.
6.Zie de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466, en 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6285 en de uitspraak van de Raad van 17 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX5908.
7.Basisregistratie Persoonsgegevens.
8.Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid.
9.Artikel 22, derde lid, van het NTV.
10.Besluit uitbreiding en beperking kring van verzekerden volksverzekeringen 1999, Stb. 1998, 746.
11.Zie ook de uitspraak van 2 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2244, r.o. 4.4, en het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ1980.