Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:150

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
24/1748 AW-W
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:61 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om wraking van behandelend rechter in ambtenarenzaak

Verzoekster heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de behandelend rechter in een hoger beroepsprocedure over een ambtenarenzaak tegen de Minister van Veiligheid en Justitie. Zij stelde dat de rechter niet adequaat had gereageerd op haar verzoeken over medische gegevens en dat het proces-verbaal van de zitting geen oordeel bevatte over deze medische stukken.

De Raad overwoog dat een rechter geacht wordt onpartijdig te zijn en dat wraking alleen kan worden toegewezen bij objectief gerechtvaardigde aanwijzingen voor vooringenomenheid. Het uitblijven van een procedurele beslissing of de inhoud van een proces-verbaal kan op zichzelf geen grond voor wraking zijn, tenzij dit onomstotelijk wijst op vooringenomenheid.

De Raad concludeerde dat de aangevoerde gronden onvoldoende waren om de onpartijdigheid van de behandelend rechter in twijfel te trekken. Het verzoek om wraking werd daarom afgewezen. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om wraking van de behandelend rechter wordt afgewezen wegens gebrek aan zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

24/1748 AW-W
Datum beslissing: 11 februari 2026
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/1748 AW-W
Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door
[verzoekster] te [plaats] (verzoekster)
PROCESVERLOOP
Verzoekster heeft herziening gevraagd van een uitspraak van de Raad van 17 oktober 2013. [1] Deze uitspraak heeft betrekking op het hoger beroep van verzoekster tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 5 januari 2012 in een geding tussen verzoekster en haar toenmalige werkgever, de Minister van Veiligheid en Justitie.
Het verzoek om herziening is bij de Raad op een zitting van 4 december 2025 behandeld door H. Lagas (behandelend rechter).
Op 17 december 2025 heeft verzoekster een verzoek om wraking ingediend. Naderhand heeft zij stukken ingezonden, waarin zij – onder meer – het verzoek om wraking nader heeft toegelicht.
De behandelend rechter heeft op het verzoek gereageerd en te kennen gegeven niet in de wraking te berusten.
Verzoekster en de behandelend rechter zijn uitgenodigd om te worden gehoord ter zitting van de Raad op 11 februari 2026. De behandelend rechter heeft laten weten daarbij niet aanwezig te zullen zijn. Verzoekster is verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De regels uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) die voor de beoordeling van verzoeken om wraking belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze beslissing. De bijlage maakt deel uit van de beslissing.
2. Verzoekster heeft ter zitting bevestigd dat haar verzoek om wraking berust op de volgende twee – samengevat weergegeven – gronden. In de eerste plaats heeft de behandelend rechter niet (eerder) gereageerd op haar verzoek van 14 augustus 2024, dat nadien diverse keren is herhaald, om een procedurele beslissing te nemen over de vraag welke stukken behoren tot het geding. Dat verzoek is op 30 mei 2025 beantwoord door een medewerker van de griffie van de Raad, terwijl volgens verzoekster een (inhoudelijke) beslissing had moeten worden genomen door de behandelend rechter. In de tweede plaats bevat het opgemaakte proces-verbaal van de zitting van 4 december 2025 ten onrechte geen oordeel van de behandelend rechter met betrekking tot ‘de verzochte zaken’ over haar medische gegevens. Dat oordeel zou ertoe kunnen leiden dat eerder ten onrechte verwijderde medische voorinformatie wordt toegevoegd in verzoeksters medische dossiers. Zij heeft dat oordeel nodig voor de versterking van haar rechtspositie op dit punt.
3.1.
Bij de beoordeling van een wrakingsverzoek moet voorop staan dat een rechter op grond van zijn of haar aanstelling geacht wordt onpartijdig te zijn. Van dit uitgangspunt moet worden afgeweken als er een uitzonderlijke omstandigheid is die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor vooringenomenheid van de rechter. De vrees voor vooringenomenheid van de rechter moet objectief gerechtvaardigd zijn.
3.2.
Een procedurele beslissing (of het uitblijven daarvan) als zodanig kan nooit grond vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van een procedurele beslissing, of het uitblijven daarvan. Ook de motivering van (het niet geven van) een procedurele beslissing kan geen grond vormen voor wraking, ook niet indien het zou gaan om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de procedurele beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. [2] Voor zover verzoekster dan ook betoogt dat de behandelend rechter (eerder) op haar verzoeken in deze procedure had moeten reageren, kan, gelet op deze maatstaf, wat verzoekster heeft aangevoerd geen grond vormen voor wraking.
3.3.
Een proces-verbaal houdt een vermelding in van hetgeen op de zitting met betrekking tot de zaak is voorgevallen. Er is geen aanleiding, mede gelet op wat de behandelend rechter daarover in zijn reactie heeft opgemerkt, ervan uit te gaan dat het proces-verbaal van de zitting van 4 december 2025 op dit punt onjuist zou zijn. Over de omvang van het geding heeft de behandelend rechter volgens dit proces-verbaal gezegd dat hij daarover in zijn uitspraak zou oordelen en is ter zitting niet beslist. Het feit dat het proces-verbaal volgens verzoekster ondeugdelijk is omdat dat geen ‘oordeel’ bevat van de behandelend rechter over de medische gegevens naar aanleiding van haar verzoek van 14 augustus 2025 en de diverse nadien daartoe ingediende verzoeken, maakt niet dat sprake is van een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid van de behandelend rechter.
4. Het voorgaande betekent dat het verzoek om wraking moet worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.
Deze beslissing is gegeven door E.J.M. Heijs als voorzitter en T. Dompeling en C.F.E. van Olden-Smit als leden, in tegenwoordigheid van H. de Brabander als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:15
Op verzoek van een partij kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Artikel 8:61, vijfde lid
Het [proces-verbaal] houdt een vermelding in van hetgeen op de zitting met betrekking tot de zaak is voorgevallen.

Voetnoten

2.Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413.