Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
4.2. Appellant heeft verder aangevoerd dat het bedrag van € 1.200,- dat hoort bij categorie 1 van de compensatieregeling onjuist is, omdat de hoogte van dit bedrag niet deugdelijk is gemotiveerd. Het gaat appellant hierbij om de manier waarop de staatsecretaris de gemiddelde duur heeft berekend van de periode dat een cadet nadeel heeft ondervonden van de ongelijke behandeling. Ook op dit punt volgt de Raad appellant niet. Daarbij is het volgende van belang. Uit de stukken blijkt dat de staatssecretaris heeft bezien hoe lang de VTO gemiddeld genomen duurt en, in het verlengde hiervan, hoe lang een cadet gemiddeld de rang van vaandrig heeft. Die laatste duur is als uitgangspunt genomen voor de verdere berekening van het geleden nadeel. In een door de staatssecretaris opgesteld overzicht is een uitsplitsing gemaakt naar de duur dat een cadet de rang van vaandrig heeft. De kortste duur bedraagt 0 maanden (die voor de berekening van het gemiddelde is gesteld op 0,5 maand) en de langste duur die bij de berekening is meegenomen bedraagt 16 tot 18 achttien maanden. Periodes van meer dan 18 maanden zijn als ‘uitschieters’ aangemerkt en zijn bij de berekening van de gemiddelde duur buiten beschouwing gelaten. Dit betreft 31 gevallen op een totaal aan 569 gevallen. De groep van 31 gevallen bestaat met name uit de vliegers in opleiding. Op basis van een en ander is de staatssecretaris uitgekomen op een gemiddelde duur als vaandrig van, naar boven afgerond, 7 maanden. Anders dan appellant acht de Raad het buiten beschouwing laten van de 31 gevallen met een duur van meer dan 18 maanden en het wel meenemen van de gevallen met een duur van minder dan 3 maanden niet onaanvaardbaar. Zoals de rechtbank heeft overwogen is in dit verband van belang dat het beleid tot stand is gekomen nadat overleg is gevoerd binnen het sectoroverleg Defensie. Ook is van belang dat het hier gaat om toekenning van een financiële tegemoetkoming die rechtens onverplicht is. De staatssecretaris heeft daarom de compensatie voor categorie 1 mogen stellen op (in beginsel) € 1.200,-.
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 6 oktober 2023 gegrond en vernietigt dat besluit;
- draagt de staatssecretaris op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit uitsluitend bij de Raad kan worden ingesteld;
- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 622,67;
- bepaalt dat de staatssecretaris aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 289,00 vergoedt.