ECLI:NL:CRVB:2026:10

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
22/1223 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van Wajong-uitkering en proceskostenveroordeling in hoger beroep

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 7 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep over de weigering van een Wajong-uitkering aan appellant. De zaak betreft de afwijzing van een aanvraag voor een Wajong-uitkering door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) op basis van het besluit van 16 januari 2019. Appellant, geboren in 1994, had in 2018 een aanvraag ingediend, maar het Uwv oordeelde dat hij beschikte over arbeidsvermogen en niet als jonggehandicapte kon worden aangemerkt. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv ten onrechte niet is teruggekomen op zijn eerdere besluit en dat hij alsnog als jonggehandicapte moet worden aangemerkt, vooral gezien zijn medische situatie en de ontwikkeling van zijn klachten na 1 mei 2016.

Tijdens de zitting op 20 juli 2023 is appellant verschenen, bijgestaan door zijn advocaat, en heeft het Uwv zich laten vertegenwoordigen. De Raad heeft een onafhankelijke deskundige benoemd, die op 13 mei 2025 een rapport heeft uitgebracht. De deskundige concludeerde dat appellant op de datum van zijn Wajong-aanvraag beschikte over arbeidsvermogen en niet als jonggehandicapte kon worden aangemerkt. De Raad heeft het oordeel van de deskundige gevolgd en geoordeeld dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad heeft de weigering van de Wajong-uitkering in stand gehouden en het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant, die op € 4.203,- zijn vastgesteld, en het griffierecht van € 48,- moet vergoeden.

Uitspraak

22/1223 WAJONG
Datum uitspraak: 7 januari 2026
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2022, 20/5424 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen. Volgens appellant moet het Uwv terugkomen van zijn eerdere afwijzende besluit van 16 januari 2019 dan wel had het Uwv hem alsnog moeten aanmerken als jonggehandicapte tijdens studie en/of de vijf jaar daarna. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Mr. M.C.A. Schulpen, advocaat, heeft zich daarna gesteld als gemachtigde van appellant.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2023. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Schulpen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer. Het onderzoek ter zitting is geschorst.
Het Uwv heeft vragen van de Raad beantwoord. Appellant heeft hierop gereageerd.
De Raad heeft vervolgens verzekeringsarts M. Vervoort benoemd als onafhankelijke deskundige. De deskundige heeft op 13 mei 2025 een rapport uitgebracht. Partijen hebben hun zienswijzen gegeven op dit rapport, waarna de deskundige op 17 september 2025 aanvullend heeft gerapporteerd.
Appellant heeft nog een stuk ingezonden.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang
1.1.
Appellant, geboren op [geboortedatum] 1994, heeft met een door het Uwv op 5 oktober 2018 ontvangen formulier een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 16 januari 2019 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat appellant op zijn achttiende jaar, en ook de periode van vijf jaar daaropvolgend, beschikte over arbeidsvermogen. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 12 april 2019 nietontvankelijk verklaard.
1.2.
Met een door het Uwv op 18 december 2019 ontvangen formulier, heeft appellant opnieuw een Wajong-aanvraag ingediend. Hierbij heeft appellant verschillende stukken overgelegd. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een verzekeringsarts op 23 december 2019 gerapporteerd. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven om terug te komen van het besluit van 16 januari 2019.
1.3.
Bij besluit van 2 januari 2020 heeft het Uwv de aanvraag van 18 december 2019 afgewezen. Bij besluit van 6 juli 2020 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen dit besluit (kennelijk) ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv de aanvraag van december 2019 terecht aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 16 januari 2019 en heeft het Uwv op juiste gronden vastgesteld dat appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft aangevoerd. De rechtbank heeft de verzekeringsarts gevolgd in het standpunt dat de bij deze aanvraag overgelegde medische informatie geen nieuw licht werpt op de medische situatie van appellant op zijn achttienjarige leeftijd of in de periode van vijf jaar daarna. De informatie uit de bij de aanvraag gevoegde medische stukken over de lichamelijke (schouder en heup) en de psychische klachten was ten tijde van de beoordeling in 2019 al bekend. Over die klachten is al geoordeeld dat appellant in de periode in geding schouderklachten had, dat de gestelde psychische klachten geen aanleiding gaven tot beperkingen en dat de heupklachten buiten beschouwing dienden te worden gelaten, omdat deze zijn ontstaan buiten de periode in geding. Ook de in bezwaar overgelegde medische informatie bevat geen nieuwe informatie. Wat appellant in beroep heeft aangevoerd, heeft de rechtbank evenmin tot het oordeel geleid dat het bestreden besluit evident onredelijk is. De rechtbank heeft geoordeeld dat, voor zover de aanvraag van appellant betrekking heeft op de toekomst, het Uwv voldoende heeft gemotiveerd waarom in de informatie die appellant heeft overgelegd geen aanleiding werd gezien om het eerdere besluit onjuist te achten.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij recht heeft op een Wajong-uitkering. Wat appellant in dit verband heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering een Wajong-uitkering toe te kennen in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
Verzoek om terug te komen van het eerdere besluit, jonggehandicapte in de periode van 18 tot 23 jaar
4.1.
Tussen partijen is allereerst in geding of het Uwv terug had moeten komen van het besluit van 16 januari 2019.
4.2.
Op het verzoek van appellant heeft het Uwv beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. [1]
4.3.
De rechtbank heeft wat betreft de periode vanaf de achttiende verjaardag van appellant tot zijn drieëntwintigste terecht geoordeeld dat van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden geen sprake is. In dit verband heeft appellant geen concrete beroepsgronden aangevoerd. In wat appellant heeft aangevoerd, wordt ook geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de weigering om voor het verleden terug te komen van het besluit van 16 januari 2019 evident onredelijk is. Voor zover de aanvraag van appellant ziet op herziening van het besluit van 16 januari 2019 voor de toekomst, geeft wat hij heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat dit besluit onjuist was.
Jonggehandicapte tijdens studie en/of vijf jaar daarna
4.4.
Artikel 1a:1, eerste lid van de Wajong, onderscheidt twee doelgroepen voor jonggehandicapten. De eerste doelgroep (onder a) ziet op de ingezetenen die op de dag waarop zij achttien jaar worden als gevolg van ziekte duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. De tweede doelgroep (onder b) ziet op de ingezetenen die (kortgezegd) tijdens of binnen zes maanden na afronden van de studie als gevolg van ziekte duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Voor beide groepen geldt op grond van het tweede lid een zogeheten vijfjaarstermijn. Een betrokkene kan alsnog jonggehandicapte worden als hij binnen vijf jaar alsnog voldoet aan de voorwaarde dat hij duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft op grond van dezelfde oorzaak als die op grond waarvan eerder beperkingen als gevolg van ziekte werden ondervonden.
4.5.
In het besluit van 16 januari 2019 heeft het Uwv alleen beoordeeld of appellant behoort tot de eerste doelgroep. Ter zitting van 20 juli 2023 is echter vastgesteld dat appellant  op dat moment studerend  op 1 mei 2016 is aangehouden door de politie en sindsdien ernstige schouderklachten heeft gekregen. Door de aanhoudende schouderklachten is appellant vanaf mei 2016 in toenemende mate cannabis gaan gebruiken als pijnmedicatie. Blijkens onder meer de patiëntenkaart van 17 april 2023 heeft dit in de jaren daaropvolgend geleid tot een cannabisverslaving met psychotische ontremmingen. Anders dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 23 november 2023 heeft gesteld, valt deze in mei 2016 ontstane problematiek binnen de tweede doelgroep (studerenden). Het Uwv heeft ter zitting verklaard, en door appellant is niet bestreden, dat voor deze tijdens studie ontstane problematiek 1 mei 2016 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag moet worden aangehouden. Voor deze problematiek is een tweede vijfjaarsperiode gaan lopen vanaf 1 mei 2016. [2] De aanvraag van 18 december 2019 bestrijkt daarmee voor een deel een andere periode dan de periode van het achttiende tot het drieëntwintigste jaar ( [geboortedatum] 2012 tot [geboortedatum] 2017), die bij de aanvraag van 5 oktober 2018 is beoordeeld. In zoverre is sprake van een nieuwe aanvraag. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De Raad heeft het Uwv gevraagd om alsnog te beoordelen of appellant, uitgaande van 1 mei 2016 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag, op die datum danwel in de periode daaropvolgend, jonggehandicapte is geworden.
4.6.
In zijn rapport van 14 oktober 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat verslavingsproblematiek als psychiatrische stoornis bij betrokkene niet is vastgesteld en dat er gelet op de diverse spreekuurconsulten bij de huisarts en verzekeringsarts geen psychische beperkingen waren die arbeidsparticipatie in de weg stonden. Bij de Raad is twijfel ontstaan over dit standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, gelet op meerdere aantekeningen in het huisartsjournaal uit 2019 waarin gesproken wordt over ‘verslaving cannabis met psychotische ontremmingen en een narcistische persoonlijkheidsstoornis’. Daarom heeft de Raad zich laten adviseren door verzekeringsarts Vervoort als onafhankelijke deskundige.
4.7.
De deskundige heeft geconcludeerd dat de bij appellant vastgestelde narcistische persoonlijkheidsstoornis beperkt ziekte-inzicht verklaart, maar op zichzelf niet tot uitsluiting van arbeid onder aangepaste omstandigheden leidt. De deskundige heeft toegelicht dat de verslavingsproblematiek een belemmerende factor voor arbeidsparticipatie is, maar dat dit op zichzelf onvoldoende reden is om te concluderen dat arbeid onder aangepaste omstandigheden onmogelijk is. Er is geen structureel onvermogen tot zelfcorrectie aangetoond binnen arbeidssituaties in het verleden; eventuele decompensatie lijkt incidenteel en samenhangend met langdurig cannabisgebruik. Er is geen crisisinterventie, opname of structurele behandeling vanuit de GGZ gestart in de periode tot [geboortedatum] 2021. Het cannabisgebruik heeft niet geleid tot een stoornis. Verslaving op zichzelf, zonder bijkomende structurele psychiatrische beperkingen als gevolg, leidt niet tot duurzaam onvermogen tot arbeidsparticipatie. Over de bij de Raad bestaande twijfel vanwege de vermeldingen over de psychotische ontregeling in het huisartsenjournaal, heeft de deskundige opgemerkt dat de huisarts deze psychotische ontregeling niet heeft vastgesteld, omdat bij de observaties niet wordt gesproken over daadwerkelijke psychotische observaties. Er is in de voor de Wajong relevante periode geen psychiatrische diagnose gesteld door de huisarts zelf of door een psychiater. De zorg vanuit de huisarts wordt in deze context eerder gezien als cannabisgeïnduceerde verschijnselen, die bovendien niet tot crisisopname of structurele GGZ-behandeling hebben geleid. Van een structurele ernstige psychiatrische aandoening is geen sprake. De deskundige heeft geconcludeerd dat appellant op 18 december 2019 tenminste vier uur per dag belastbaar was, ten minste één uur aaneengesloten kon werken, vanuit medisch oogpunt over basale werknemersvaardigheden beschikte en de taak ‘bemannen balie’ kon uitvoeren. Er is geen medische grond om aan te nemen dat appellant, ook niet binnen een aangepaste of beschermde werksetting, geen taak zou kunnen uitvoeren. Er is geen sprake van aantoonbare cognitieve achterstand of onvermogen tot het begrijpen en uitvoeren van instructies.
4.8.
Als uitgangspunt geldt volgens vaste rechtspraak dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke door hem ingeschakelde deskundige volgt, indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich in deze zaak voor. Het rapport van de deskundige geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft dossierstudie verricht en appellant op 29 april 2025 op een spreekuur gezien. In het rapport heeft de deskundige de medische gegevens van de behandelaars van appellant betrokken.
4.9.
Wat appellant in zijn zienswijze tegen dit rapport heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De deskundige heeft in haar nader rapport van 17 september 2025 hierover – samengevat  opgemerkt dat er geen grond is om te stellen dat de combinatie van een verslavingsgeschiedenis, persoonlijkheidsstoornis en vermeende psychotische problematiek een vicieuze cirkel vormt die herstel en stabiel functioneren onmogelijk maakt. Er is in de periode tot 18 december 2019 (datum aanvraag) geen bewijs voor een actuele psychose, geen aanwijzing voor ernstige terugval in verslavingsgedrag en geen objectieve vaststelling van complexe psychiatrische problematiek.
4.10.
Uit 4.5 tot en met 4.9 volgt dat appellant op de datum van zijn Wajong-aanvraag (18 december 2019) beschikte over arbeidsvermogen en om die reden niet als jonggehandicapte is aan te merken.
4.11.
Appellant heeft bij brief van 3 december 2025 nog aangevoerd dat er recentelijk bij hem artrose is vastgesteld. Gesteld noch gebleken is dat hiervan reeds sprake was in de voor dit geding relevante periode, die liep tot 18 december 2019 (datum aanvraag).

Conclusie en gevolgen

5.1.
Gelet op 4.5 en 4.6 is het bestreden besluit pas in hoger beroep voorzien van een toereikende onderbouwing. Deze schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb zal met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat appellant hierdoor niet is benadeeld. Ook als het gebrek in het bestreden besluit zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Dit leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden, zal worden bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
5.2.
De toepassing van artikel 6:22 van de Awb geeft aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten voor verleende rechtsbijstand begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde van € 934,- per punt) en op € 2.335,- in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en een 0,5 punt voor een zienswijze na verslag deskundigenonderzoek met een waarde van € 934,- per punt).
6.‬‬‬‬‬‬ Verder moet het Uwv het door appellant in beroep betaalde griffierecht vergoeden.‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬ Appellant is in hoger beroep vrijgesteld van betaling van griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 4.203,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep betaalde griffierecht van € 48,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2026.
(getekend) E.J.J.M. Weyers
(getekend) C.M. Snellenberg

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van de Raad van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.
2.Zie in dit verband de uitspraken van de Raad van 8 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:20 en ECLI:NL:CRVB:2025:29.