ECLI:NL:CRVB:2025:68
Centrale Raad van Beroep
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn en immateriële schade na toekenning Wajong-uitkering
Appellante diende in 2017 een aanvraag in voor een Wajong-uitkering vanwege fibromyalgie en pijnklachten. Het Uwv wees deze aanvraag af, waarna bezwaar en beroep volgden. In hoger beroep stelde appellante dat haar klachten ernstig waren en vroeg om een onafhankelijke deskundige. Na onderzoek door psychiater Van der Wurff keerde het Uwv in november 2024 terug van het eerdere besluit en kende alsnog met terugwerkende kracht een Wajong-uitkering toe.
Omdat het Uwv het bestreden besluit had ingetrokken, oordeelde de Raad dat appellante geen procesbelang meer had en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. Appellante vorderde vervolgens schadevergoeding wegens immateriële schade en overschrijding van de redelijke termijn. De Raad overwoog dat hoewel de procedure en besluitvorming appellante hadden aangegrepen, onvoldoende medische onderbouwing bestond voor geestelijk letsel als gevolg van de procedure.
Ook werd geoordeeld dat de normschending niet zodanig ernstig was dat sprake was van aantasting in de persoon 'op andere wijze'. Wel was de redelijke termijn met ruim drie jaar overschreden, waarvoor de Staat een immateriële schadevergoeding van €3.500,- moest betalen. Daarnaast werd het Uwv veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. De uitspraak benadrukt het belang van tijdige besluitvorming en de criteria voor vergoeding van immateriële schade in bestuursrechtelijke procedures.
Uitkomst: Hoger beroep niet-ontvankelijk; schadevergoeding van €3.500,- toegekend wegens overschrijding redelijke termijn.