ECLI:NL:CRVB:2025:669
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij WIA-uitkering
Appellant heeft zich ziekgemeld op 2 juli 2020 en een WIA-uitkering aangevraagd. Na onderzoek door een arts en een arbeidsdeskundige van het UWV werd vastgesteld dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waarna het UWV aanvankelijk weigerde een uitkering toe te kennen. Na bezwaar heeft het UWV op 23 november 2023 alsnog een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 69,45% per 20 juli 2022.
Appellant ging hiertegen in beroep bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. Appellant stelde dat zijn beperkingen, met name op het gebied van hand- en vingergebruik, werden onderschat en dat hij de geselecteerde functies niet kon verrichten. Het UWV verzocht het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren omdat appellant per 4 juni 2024 een WGA-loonaanvullingsuitkering ontvangt op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, waardoor het vaststellen van de eerdere restverdiencapaciteit geen betekenis meer heeft.
De Raad oordeelt dat appellant geen procesbelang heeft bij het hoger beroep omdat het resultaat niet meer kan leiden tot een hogere uitkering. Ook erkende appellant ter zitting dat hij geen IVA-uitkering claimt en dat het hoger beroep vooral gericht is op een uitspraak over beperkingen, wat echter geen voldoende procesbelang oplevert. De Raad verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk en wijst proceskosten af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.