ECLI:NL:CRVB:2025:206
Centrale Raad van Beroep
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in WIA-hoger beroep
Appellante stelde een hoger beroep in tegen een beslissing van het UWV omtrent haar WIA-uitkering. Tijdens de procedure werd een deskundige benoemd en bracht een rapport uit. Appellante trok het hoger beroep in nadat het UWV met een gewijzigde beslissing op bezwaar aan haar bezwaren tegemoet was gekomen.
De Raad beoordeelde het verzoek om schadevergoeding wegens immateriële schade en concludeerde dat appellante onvoldoende concrete gegevens had aangeleverd om geestelijk letsel aan te tonen. Wel werd een vergoeding toegekend voor overschrijding van de redelijke termijn van de bestuursprocedure en rechterlijke fase, waarbij zowel het UWV als de Staat werden veroordeeld tot een schadevergoeding van €750 elk.
Daarnaast werd appellante een forfaitaire proceskostenvergoeding toegekend voor in beroep en hoger beroep gemaakte kosten, inclusief reiskosten en kosten voor een medisch adviesrapport. Het UWV werd tevens veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht. De Staat werd mede veroordeeld tot betaling van proceskosten in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: Het UWV en de Staat werden veroordeeld tot een schadevergoeding van €750 elk wegens overschrijding van de redelijke termijn en het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.