Appellante was volledig arbeidsongeschikt en ontving een WGA-uitkering. Het UWV weigerde deze om te zetten in een IVA-uitkering, omdat het niet duurzaam zou zijn. De Raad stelde in een tussenuitspraak dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd, vooral over de passendheid van geselecteerde functies en de urenbeperking in de fictieve Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
Het UWV diende nieuwe rapporten in, waaronder een gewijzigde FML met een urenbeperking van twintig uur per week en nieuwe functie-selecties. Appellante betwistte de passendheid van deze functies, vooral vanwege haar verhoogde infectierisico door een ernstige nierinsufficiëntie. Een door de Raad benoemde deskundige bevestigde het verhoogde infectierisico en adviseerde bepaalde functies als ongeschikt.
De arbeidsdeskundige wijzigde daarop de functies, maar de Raad oordeelde dat het UWV niet toereikend had gemotiveerd dat de nieuwe functies passend waren, mede door het ontbreken van overleg tussen arbeidsdeskundige en verzekeringsarts over infectierisico's. De Raad besloot het besluit van 4 januari 2019 te herroepen en appellante met terugwerkende kracht een IVA-uitkering toe te kennen.
Daarnaast werd vastgesteld dat de procedure ruim twee jaar langer duurde dan de redelijke termijn, wat leidde tot een schadevergoeding van €3.000,-, waarvan het UWV en de Staat elk een deel vergoeden. Ook werden proceskosten en griffierechten aan appellante toegekend.