ECLI:NL:CRVB:2025:1737
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanspraak tijdelijke tegemoetkoming politie voor aspiranten over 2022
In deze zaak gaat het om de tijdelijke tegemoetkoming (TTK) voor politiemedewerkers over het jaar 2022, bedoeld als compensatie voor extra werkdruk. Appellanten waren tijdens de referteperiode aspiranten in opleiding bij de politie en hadden een tijdelijke aanstelling. Aspiranten vallen niet binnen de doelgroep van de regeling, die is gericht op medewerkers in een LFNP-functie in het domein uitvoering.
Appellanten stelden dat zij door feitelijke werkzaamheden gelijk waren aan LFNP-medewerkers en dat de regeling onrechtmatig is wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het verbod op onderscheid naar duur van de aanstelling. Ook maakten appellanten 3 en 5 subsidiair aanspraak op TTK vanaf hun aanstelling in een LFNP-functie, en voerden zij bezwaar tegen de toegepaste peildatumsystematiek bij de berekening.
De Raad oordeelt dat aspiranten niet als gelijke gevallen kunnen worden beschouwd omdat zij een leerfunctie hebben en andere verantwoordelijkheden dragen. De regeling is het resultaat van een arbeidsvoorwaardenakkoord en is niet onrechtmatig. Het indirecte onderscheid naar tijdelijke of vaste aanstelling is objectief gerechtvaardigd. De peildatumsystematiek is passend en noodzakelijk, en eventuele financiële nadelen voor appellanten 3 en 5 zijn gering en rechtvaardigen geen afwijking. Het hoger beroep wordt afgewezen en de bestreden besluiten blijven in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep wijst het hoger beroep af en bevestigt dat aspiranten geen recht hebben op de tijdelijke tegemoetkoming over 2022.