ECLI:NL:CRVB:2025:1648
Centrale Raad van Beroep
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens niet-beschikbaarheid voor arbeid en toekenning schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Appellant werkte sinds oktober 2020 en meldde zich op 1 mei 2021 ziek wegens psychische klachten. Het Uwv weigerde een WW-uitkering vanaf 6 september 2021 omdat appellant niet beschikbaar was voor arbeid. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond en deels niet-ontvankelijk, waarbij het Uwv terecht oordeelde dat appellant vanaf 15 september 2021 niet beschikbaar was voor werk.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het Uwv onvoldoende had gemotiveerd dat hij niet beschikbaar was en dat de rechtbank ten onrechte het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn had afgewezen. De Raad volgde appellant niet in het eerste standpunt, maar wel in het tweede. De Raad oordeelde dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase met acht maanden was overschreden, wat een vergoeding van €1.000,- rechtvaardigt.
De Raad bevestigde dat appellant zich ziek had gemeld en geen sollicitaties had verricht, waardoor het Uwv terecht concludeerde dat hij niet beschikbaar was voor arbeid. Ten aanzien van de schadevergoeding stelde de Raad dat de overschrijding van de redelijke termijn niet aan appellant kon worden toegerekend, mede doordat het Uwv de gemachtigde niet altijd op de hoogte hield.
De Raad vernietigde het deel van de uitspraak dat het verzoek om schadevergoeding afwees en veroordeelde de Staat tot betaling van €1.000,- aan immateriële schade en €1.814,- aan proceskosten. De weigering van de WW-uitkering per 15 september 2021 bleef in stand.
Uitkomst: De weigering van de WW-uitkering per 15 september 2021 wordt bevestigd, maar appellant krijgt een schadevergoeding van €1.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.