ECLI:NL:CRVB:2025:160
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens detentie en afwijzing aanvraag door onduidelijke woon- en leefsituatie
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet, maar het college trok deze bijstand in en vorderde terug wegens zijn verblijf in detentie van 24 mei tot 19 juli 2022. Appellant diende daarna een nieuwe aanvraag in, die werd afgewezen omdat hij onvoldoende medewerking verleende en zijn woon- en leefsituatie onduidelijk bleef.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant tegen deze besluiten ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de terugvordering onevenredige gevolgen had, dat hij niet had gefaald in zijn medewerkingsplicht, dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat het college zijn aanvraag had moeten doorzenden naar een andere gemeente.
De Raad oordeelt dat het college terecht heeft gehandeld. De detentieperiode sluit het recht op bijstand uit en de terugvordering is proportioneel. Appellant heeft niet voldaan aan zijn verplichting om dagelijks zijn verblijfplaats door te geven en medewerking te verlenen aan locatieonderzoeken. De onjuistheid in het kenteken en het weigeren van medewerking rechtvaardigen het besluit. Het college hoefde de aanvraag niet door te sturen omdat appellant daar niet mee instemde.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraken en wijst het hoger beroep af. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet terugbetaald.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens detentie en de afwijzing van de aanvraag wegens schending van de medewerkingsplicht.