ECLI:NL:CRVB:2025:1578
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar geen WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank heeft het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit in stand gelaten. Appellante stelde dat zij meer beperkingen heeft dan het UWV heeft vastgesteld, met name op het gebied van hand- en vingergebruik.
De Centrale Raad van Beroep heeft een deskundige benoemd die een multidisciplinair onderzoek uitvoerde en concludeerde dat de beperkingen zoals vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 23 juni 2020 juist zijn. Het UWV heeft toegelicht dat het ICF-model wordt toegepast bij de beoordeling, waarbij alleen beperkingen die medisch objectief aantoonbaar zijn als gevolg van ziekte of gebrek worden meegewogen.
De Raad oordeelt dat de medische en arbeidskundige beoordelingen voldoende zijn gemotiveerd en dat de persoonlijke en externe omstandigheden van appellante niet leiden tot zwaardere beperkingen binnen het kader van de Wet WIA. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering blijft in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering blijft in stand.