Uitspraak
SAMENVATTING
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkzaam als verzorgende IG, maakte bezwaar tegen de vaststelling van haar WIA-dagloon door het UWV, omdat dit was gebaseerd op het loon na een periode van onbetaald ouderschapsverlof, terwijl haar inkomen vóór het verlof hoger was. Het UWV had het dagloon vastgesteld op € 36,51, gebruikmakend van het loon in het aangiftetijdvak direct na het verlof, conform artikel 17 van Pro het Dagloonbesluit.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad overwoog dat het UWV gebonden was aan de wettelijke regeling die voorschrijft dat bij onbetaald verlof het loon na het verlof als referentie geldt als er geen voorafgaand aangiftetijdvak binnen de referteperiode is. De Raad verwierp het betoog van appellante dat het Dagloonbesluit in haar geval onevenredig zou zijn en buiten toepassing moest worden gelaten.
De Raad benadrukte dat het dagloon wordt berekend op basis van het historisch loon binnen de referteperiode en dat het niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel om het lagere loon na het verlof als basis te nemen. Ook het feit dat het WW-dagloon hoger was vastgesteld, werd niet als bijzondere omstandigheid gezien die afwijking rechtvaardigt. Het hoger beroep werd afgewezen en het bestreden besluit bleef in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het door het UWV vastgestelde dagloon van € 36,51 blijft ongewijzigd.