ECLI:NL:CRVB:2025:155
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag persoonsgebonden budget wegens eerdere pgb-fraude bevestigd
Appellante, geboren in 1978, heeft een indicatie voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Eerder werd haar pgb ingetrokken vanwege geconstateerde fraude. Het zorgkantoor weigerde vervolgens een nieuwe pgb-aanvraag op basis van artikel 3.3.3, vijfde lid, onder a, van de Wlz, dat weigering mogelijk maakt indien de verzekerde zich niet aan verplichtingen hield.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit. Appellante voerde in hoger beroep aan dat niet zij, maar haar toenmalig gewaarborgde hulp de verplichtingen had geschonden en dat zij te goeder trouw was. Ook stelde zij dat het zorgkantoor geen belangenafweging had gemaakt, wat volgens haar in strijd was met het evenredigheidsbeginsel.
De Raad oordeelde dat de verantwoordelijkheid voor de pgb-verplichtingen bij de budgethouder ligt, ook als een derde hulp biedt. De stelling van appellante faalde. Daarnaast kan de rechter het toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet Pro niet passeren, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, welke hier niet zijn aangetoond. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.
Appellante krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak benadrukt het strikte karakter van de wettelijke regeling omtrent weigering van pgb bij eerdere niet-naleving en fraude.
Uitkomst: De afwijzing van de pgb-aanvraag wegens eerdere fraude wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.