ECLI:NL:CRVB:2025:1544
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Dompeling
- S.B. SmitColenbrander
- C. Karman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering ZW- en WIA-uitkering wegens gefingeerd dienstverband
Appellante ontving van juni 2020 tot juli 2022 een ZW- en WIA-uitkering. Het UWV stelde dat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking maar een gefingeerd dienstverband, en trok de uitkeringen in en vorderde deze terug. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde het onderzoek van het UWV als zorgvuldig vast.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij wel als werknemer had gewerkt en loon had ontvangen, en dat het onderzoek onzorgvuldig was. Zij stelde ook dat de terugvordering ernstige sociale en gezondheidsgevolgen had, wat een dringende reden zou vormen om (gedeeltelijk) af te zien van terugvordering.
De Raad oordeelde dat het UWV voldoende aannemelijk had gemaakt dat geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond, vooral vanwege het ontbreken van loonbetalingen die overeenkwamen met loonstroken en de onregelmatigheid van betalingen. De verklaringen van appellante en getuigen konden dit niet weerleggen.
Verder concludeerde de Raad dat het UWV het begrip dringende reden zorgvuldig had toegepast en dat er geen aanleiding was om van terugvordering af te zien. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de ZW- en WIA-uitkeringen zijn terecht en blijven in stand.