ECLI:NL:CRVB:2025:152
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijzondere bijstand wegens hennepkwekerij in woning appellant
Appellant ontving bijzondere bijstand en bijstand op grond van de Participatiewet. Na een melding over verdachte overschrijvingen op zijn bankrekening startte de gemeente Utrecht een onderzoek. Op 24 juni 2020 werd in de door appellant gehuurde woning een hennepkwekerij aangetroffen met een geschat wederrechtelijk voordeel van €62.000. Appellant verklaarde dat een vriend de woning gebruikte en hijzelf pas vanaf juli 2020 weer woonde in de woning. Hij weigerde een huisbezoek.
Het college trok de bijstand per 1 april 2020 in, vorderde gemaakte kosten terug en wees een nieuwe aanvraag af. Appellant maakte bezwaar, maar het college handhaafde de besluiten. De rechtbank oordeelde dat het college terecht de aanvraag afwees en vernietigde het besluit wegens motiveringsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen in stand.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij geen exploitant was van de kwekerij en geen inkomsten had verkregen. De Raad oordeelde dat de aanwezigheid van de kwekerij in zijn woning de veronderstelling rechtvaardigt dat hij exploitant was en dat het aan appellant was om het tegendeel aannemelijk te maken, hetgeen niet is gelukt. De enkele, niet-onderbouwde stelling dat een vriend de kwekerij exploiteerde, volstaat niet.
De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond, bevestigde de eerdere uitspraken en liet de intrekking, terugvordering en afwijzing van de aanvraag in stand. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 14 januari 2025.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijzondere bijstand en de afwijzing van de aanvraag worden bevestigd.