ECLI:NL:CRVB:2025:1438
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekmelding wegens epileptische aanvallen en schouderklachten. Het UWV stelde vast dat hij 31,63% arbeidsongeschikt is en weigerde de uitkering toe te kennen. Appellant voerde aan dat hij meer beperkingen heeft en dat zijn ziekteverzuim te hoog is om in dienst te kunnen blijven.
De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht heeft geoordeeld dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en dat het ziekteverzuim niet excessief is. De medische beoordeling van het UWV was zorgvuldig en voldoende gemotiveerd. Appellant kon zijn stellingen niet onderbouwen met nieuwe medische informatie.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad concludeert dat de medische en arbeidskundige beoordelingen juist zijn en dat het verwachte ziekteverzuim niet zodanig hoog is dat tewerkstelling redelijkerwijs niet van een werkgever kan worden verlangd. De functies die voor appellant zijn geselecteerd zijn passend en houden rekening met zijn beperkingen.
Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering blijft in stand. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid en onvoldoende bewijs van excessief ziekteverzuim.