ECLI:NL:CRVB:2025:1199
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende aannemelijkheid bijstandbehoevendheid
Appellante, die sinds 2011 bijstand ontving, diende op 16 november 2021 een nieuwe aanvraag in nadat haar eerdere bijstand was ingetrokken wegens niet-meewerken aan een huisbezoek. Het college wees de aanvraag af omdat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Hoewel appellante verklaarde te leven van leningen van familieleden en bankafschriften overlegde, ontbrak het aan objectief en verifieerbaar bewijs over haar financiële situatie.
Het college verzocht meerdere malen om aanvullende gegevens, maar appellante leverde onvoldoende bewijs. Een verklaring van een derde over contante leningen werd pas na het afwijzingsbesluit overgelegd en was niet controleerbaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De Raad benadrukte dat de bewijslast voor bijstandbehoevendheid bij de aanvrager ligt en dat het college de verstrekte informatie moet controleren. Omdat appellante geen duidelijke en verifieerbare informatie gaf over haar middelen van bestaan, kon het college haar recht op bijstand niet vaststellen. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en appellante kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt in bijstandbehoevende omstandigheden te verkeren.