Uitspraak
.
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
. [2] Het beroep op de uitspraak van de Raad van 29 november 2023 [3] slaagt volgens de rechtbank ook niet, omdat dat een andere situatie betrof.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam bij meerdere werkgevers en heeft na beëindiging van haar dienstverband een WW-uitkering aangevraagd. Het UWV stelde het WW-dagloon vast op €144,17, gebaseerd op een referteperiode van 1 november 2022 tot en met 31 oktober 2023. Appellante voerde aan dat bij de dagloonvaststelling ook de uitbetaling van verlofuren, die na afloop van de referteperiode plaatsvond, had moeten worden meegenomen.
De rechtbank oordeelde dat de uitbetaling van verlofuren geen vorderbaar maar oninbaar loon betrof en dat het dagloon een redelijke afspiegeling van het loon vormde. Appellante stelde in hoger beroep dat de uitleg van 'oninbaar' te beperkt was en dat verlofuren net als vakantietoeslag in het dagloon moesten worden betrokken.
De Centrale Raad van Beroep volgde het standpunt van het UWV en de rechtbank. De Raad oordeelde dat de aangevoerde gronden reeds door de rechtbank afdoende waren gemotiveerd en dat er geen aanleiding was om daarvan af te wijken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, waarmee het dagloon van €144,17 in stand bleef. Appellante kreeg geen vergoeding van proceskosten.
De uitspraak bevestigt de toepassing van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen en benadrukt dat uitbetalingen na de referteperiode die niet vorderbaar zijn, niet in het dagloon worden betrokken. Dit voorkomt een onredelijke uitkomst bij de WW-dagloonvaststelling.
Uitkomst: Het WW-dagloon van €144,17 wordt bevestigd zonder verrekening van na afloop van de referteperiode uitbetaalde verlofuren.