ECLI:NL:CRVB:2025:1032
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot herziening weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante heeft meerdere keren een Wajong-uitkering aangevraagd, waarbij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) telkens heeft geweigerd deze toe te kennen omdat de eerste ziektedag na haar achttiende jaar lag en er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren.
De rechtbank Midden-Nederland heeft het bezwaar van appellante tegen het laatste besluit van het Uwv ongegrond verklaard, waarbij werd geoordeeld dat de ontwikkelingsachterstand en psychodiagnostisch onderzoek reeds waren meegewogen en dat de nieuwe medische informatie geen nieuwe feiten bevatte.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij al voor haar achttiende jaar een lichte tot matige verstandelijke beperking had, en dat de psychische klachten pas na haar achttiende jaar waren ontstaan, maar de Raad volgde dit niet. De Raad oordeelde dat de aangevoerde stukken niet als nieuwe feiten konden worden aangemerkt en dat het besluit van het Uwv niet evident onredelijk was.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en bleef de weigering van de Wajong-uitkering in stand. Appellante kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de Wajong-uitkering blijft in stand.