Appellant ontving sinds 1990 een WAO-uitkering die in 2007 door het UWV werd beëindigd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Diverse verzoeken van appellant om terug te komen op dit besluit werden door het UWV en de rechterlijke instanties afgewezen, omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden werden aangetoond.
In hoger beroep betoogde appellant dat het medisch onderzoek in 2007 onzorgvuldig was en dat zijn lichamelijke klachten, waaronder rugklachten en hernia’s, ten onrechte niet waren meegewogen. Ook stelde hij dat hij recht had op een WAO-uitkering op grond van de Amber-bepalingen.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht vasthoudt aan het eerdere besluit. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat geen nieuwe medische feiten waren aangeleverd die een ander oordeel rechtvaardigen. Tevens werd vastgesteld dat de lichamelijke klachten buiten de Amber-toets vallen en dat de psychische beperkingen destijds juist waren vastgesteld. Het hoger beroep werd verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.