ECLI:NL:CRVB:2024:517
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever
Appellante, een stichting, kreeg van het Uwv een loonsanctie opgelegd omdat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen zou hebben verricht voor een zieke werknemer die zich in januari 2019 ziek meldde. Het Uwv verlengde het recht op loondoorbetaling met 52 weken tot januari 2022. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij wel voldoende inspanningen had geleverd, dat het ontbreken van een volledig overzicht van functies binnen de organisatie niet verplicht was volgens de Wet WIA en dat COVID-19 de re-integratie bemoeilijkte. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het Uwv terecht had vastgesteld dat appellante onvoldoende inzicht had gegeven in passende functies binnen het eerste spoor en dat het tweede spoor te laat was gestart.
De Raad benadrukte dat de Werkwijzer Poortwachter, hoewel een interne richtlijn, een zekere externe werking heeft en werkgevers zich hierop kunnen beroepen, maar dat deze de bestuursrechter niet bindt bij de beoordeling van redelijkheid van de re-integratie-inspanningen. De tekortkomingen in het eerste en tweede spoor rechtvaardigen de loonsanctie. Het beroep van appellante wordt verworpen en de loonsanctie blijft in stand.
Uitkomst: De loonsanctie opgelegd door het Uwv aan appellante wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen wordt bevestigd.