Appellante, werkgever van een werknemer die zich ziek had gemeld sinds 21 april 2018, kreeg een loonsanctie opgelegd door het UWV wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen binnen spoor 1. Het UWV verlengde de loondoorbetalingsplicht met 52 weken tot 17 april 2021, omdat appellante niet tijdig en voldoende inzicht had gegeven in de mogelijkheden voor re-integratie.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en stelde dat het aanvullend arbeidskundig onderzoek van juni 2020, dat pas na het primaire besluit van maart 2020 was ingediend, niet relevant kon zijn voor de beoordeling van de re-integratie-inspanningen binnen het beoordelingstijdvak. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het motiveringsgebrek in bezwaar was hersteld en dat het UWV de motivering in bezwaar vaak aanpast, waardoor het beginsel van equality of arms werd geschonden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het inzichtelijk maken van re-integratie-inspanningen onderdeel is van de re-integratieverplichtingen en dat dit pas na het einde van de wachttijd en het primaire besluit was gebeurd. Dit kon niet meetellen bij de beoordeling van de loonsanctie. Het beroep op het equality of arms-beginsel faalde omdat appellante voldoende gelegenheid had gehad om haar standpunt tijdig te onderbouwen. De Raad bevestigde daarmee de bestreden uitspraak en het opgelegde besluit van het UWV.