ECLI:NL:CRVB:2024:340
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering faillissementsuitkering wegens ontbreken gezagsverhouding en dienstbetrekking
Appellant heeft een arbeidsovereenkomst gesloten met werkgeefster, een klein familiebedrijf, maar na faillissement van werkgeefster werd de arbeidsovereenkomst opgezegd. Appellant verzocht om een faillissementsuitkering, maar het Uwv wees dit af omdat appellant niet als werknemer in de zin van de WW werd beschouwd vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding.
De rechtbank oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van een gezagsverhouding. Dit oordeel was gebaseerd op een uitgebreid onderzoek, waaronder verklaringen van een oud-werknemer en een handhavingsmedewerker, waaruit bleek dat appellant veel zelfstandige bevoegdheden had en geen toezicht of controle ondervond.
In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald, maar de Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad benadrukte dat de beoordeling van een arbeidsovereenkomst plaatsvindt aan de hand van de Haviltex-maatstaf, waarbij alle omstandigheden in onderlinge samenhang worden bezien. Appellant heeft echter niet met objectieve en controleerbare gegevens kunnen aantonen dat er een gezagsverhouding bestond.
De Raad bevestigde daarom de afwijzing van de faillissementsuitkering en oordeelde dat appellant geen vergoeding voor proceskosten ontvangt. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 22 februari 2024.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen werknemer is en wijst de aanvraag voor een faillissementsuitkering af.