Appellant ontving sinds 2004 een WAO-uitkering en werkte vanaf 2010 op basis van een WSW-indicatie. Na een ziekmelding in 2016 kreeg hij een ZW-uitkering toegekend. Het UWV beëindigde deze uitkering per 1 december 2020 na een herbeoordeling, waarbij werd vastgesteld dat appellant geschikt was voor de eerder geselecteerde functies. Appellant voerde aan dat zijn beperkingen waren toegenomen en dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld door geen informatie bij zijn behandelaars op te vragen.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd overwogen dat de medische beperkingen niet voldoende waren onderbouwd en dat appellant geschikt was voor de WSW-arbeid. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelde dat het UWV een juiste maatstaf hanteerde en dat de medische beperkingen niet waren toegenomen. Het ontbreken van een onafhankelijke deskundige en het niet opvragen van aanvullende medische informatie leidde niet tot strijd met het arrest Korošec.
De Raad stelde vast dat het bestreden besluit pas in hoger beroep toereikend was gemotiveerd, maar dat dit gebrek niet tot benadeling van appellant leidde. Het hoger beroep werd afgewezen, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.