Uitspraak
22 444 WAO
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
€ 12.796,26 aan appellant betaald.
Centrale Raad van Beroep
Appellant verzocht herhaaldelijk om heropening van zijn WAO-uitkering over de periode vóór 1999, met het argument dat zijn gezondheid was verslechterd en dat er nieuwe informatie was. Het UWV wees deze verzoeken af omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die niet al bij eerdere besluiten bekend waren.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht het verzoek tot heropening had afgewezen op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelde dat de overgelegde stukken geen nieuwe feiten bevatten en dat eerdere uitspraken van de Raad geen recht op hernieuwde WAO-uitkering geven.
De Raad benadrukte dat nieuw gebleken feiten feiten zijn die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet eerder konden worden aangevoerd. De stukken die appellant aanvoerde waren al bekend bij het UWV en konden dus niet als nieuw worden beschouwd. Het verzoek tot heropening werd daarom terecht afgewezen en het hoger beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om de WAO-uitkering te heropenen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.